Micha


1  2  3  4  5  6  7

Micha 1

  1. debar-yhwh aser haya el-mika hammorasti bime yotam ahaz yehizgiyya malke yehuda aser-haza al-someron wirusalaim:
    Het woord van de HERE dat kwam/was tot Micha de Morastiet in de dagen van Jotam Achaz en Hizkia koningen van Juda dat hij zag over Samaria en Jeruzalem.
    Het woord van de HEERE dat kwam tot Micha uit Moreset, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, de koningen van Juda, en dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.
    The word of the LORD that came to Micah the Morasthite in the days of Jotham, Ahaz, and Hezekiah, kings of Judah, which he saw concerning Samaria and Jerusalem.
    La parole de l’Éternel qui vint à Michée, le Morashtite, aux jours de Jotham, d’Achaz, d’Ézéchias, rois de Juda, laquelle il vit au sujet de Samarie et de Jérusalem.
    Dies ist das Wort des HERRN, welches geschah zu Micha von Moreseth zur Zeit des Jotham, Ahas und Hiskia, der Könige Juda's, das er gesehen hat über Samaria und Jerusalem.
    Verbum Domini, quod factum est ad Michaeam Morasthiten, in diebus Joathan, Achaz, et Ezechiae, regum Juda, quod vidit super Samariam et Jerusalem.

  2. sim'u 'ammim kullam haqsibi eres umelo'ah wihi adonay yhwh bakem le'ed adonay mehekal qodso:
    Hoort volken zij allen luister (aandachtig) aarde en haar volheid en laat/zal zijn de Here HERE tegen jullie tot Getuige de Here uit de tempel van zijn heiligheid.
    Luister, volken, allemaal! Sla er acht op, aarde, met al wat u bevat! En laat de Heere HEERE Getuige tegen u zijn, de Heere, uit Zijn heilige tempel.
    Hear, all ye people; hearken, O earth, and all that therein is: and let the Lord GOD be witness against you, the Lord from his holy temple.
    Écoutez, vous, tous les peuples ; sois attentive, terre, et tout ce qui est en toi ; et que le Seigneur, l’Éternel, soit témoin contre vous, le Seigneur, du palais de sa sainteté!
    Hört, alle Völker! merke auf, Land, und alles, was darinnen ist! denn Gott der HERR hat mit euch zu reden, ja, der HERR aus seinem heiligen Tempel.
    Audite, populi omnes, et attendat terra, et plenitudo ejus: et sit Dominus Deus vobis in testem, Dominus de templo sancto suo.

  3. ki-hinneh yhwh yose mimmeqomo weyarad wedarak al-bomowte ares:
    Want zie de HERE uitgaande uit zijn plaats en Hij daalt af en treedt op hoogten van aarde.
    Want zie, de HEERE komt uit Zijn woonplaats, Hij daalt af en treedt op de hoogten van de aarde.
    For, behold, the LORD cometh forth out of his place, and will come down, and tread upon the high places of the earth.
    Car voici, l’Éternel sort de son lieu, et descendra, et marchera sur les lieux hauts de la terre;
    Denn siehe, der HERR wird ausgehen aus seinem Ort und herabfahren und treten auf die Höhen im Lande,
    Quia ecce Dominus egredietur de loco suo, et descendet, et calcabit super excelsa terrae.

  4. wenamassu heharim tahtayw weha'amaqim yitbaqqa'u kaddonag mippene ha'es kemayim muggarim bemorad:
    En zullen smelten de bergen onder Hem en de valleien zullen splijten als de was voor het vuur als water neervloiend langs afdaling.
    De bergen smelten onder Hem weg, de dalen splijten als was voor het vuur, als water dat langs een helling vloeit.
    And the mountains shall be molten under him, and the valleys shall be cleft, as wax before the fire, and as the waters that are poured down a steep place.
    et les montagnes se fondront sous lui, et les vallées s’entr’ouvriront, comme la cire devant le feu, comme des eaux versées sur une pente.
    daß die Berge unter ihm schmelzen und die Täler reißend werden, gleichwie Wachs vor dem Feuer zerschmilzt, wie die Wasser, so niederwärts fließen.
    Et consumentur montes subtus eum, et valles scindentur sicut cera a facie ignis, et sicut aquae quae decurrunt in praeceps.

  5. bepesa ya'akob kol-zo't ubehatto'wt bet yisra'el mi-pesa ya'aqob halo someron umi bamot yehuda halo yerusalaim:
    Vanwege de overtreding van Jakob dit alles en vanwege de zonden van het huis van Israël wie (is) de overtreding van Jakob? Niet (is het) Samaria? En wie (zijn) de hoogten van Juda? Niet (is het) Jeruzalem?
    Dit alles is om de overtreding van Jakob en om de zonden van het huis van Israël. Wat is de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wat zijn de offerhoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?
    For the transgression of Jacob is all this, and for the sins of the house of Israel. What is the transgression of Jacob? is it not Samaria? and what are the high places of Judah? are they not Jerusalem?
    Tout cela, à cause de la transgression de Jacob et à cause des péchés de la maison d’Israël! [De] qui est la transgression de Jacob? N’est-ce pas [de] Samarie? Et [de] qui, les hauts lieux de Juda? N’est-ce pas [de] Jérusalem?
    Das alles um der Übertretung willen Jakobs und um der Sünden willen des Hauses Israel. Welches ist aber die Übertretung Jakobs? Ist's nicht Samaria? Welches sind aber die Höhen Juda's? Ist's nicht Jerusalem?
    In scelere Jacob omne istud, et in peccatis domus Israel. Quod scelus Jacob? nonne Samaria? et quae excelsa Judae? nonne Jerusalem?

  6. wesamti someron le'i hassadeh lematta'e karem wehiggarti laggay abaneha wisodeha agalleh:
    En/daarom ik stel Samaria tot puinhoop van het veld tot plantingen/plantingplaatsen van wijngaard en Ik stort neer naar het dal haar stenen en haar fundamenten Ik zal ontdekken/ontbloten.
    Daarom maak Ik van Samaria een puinhoop in het veld, een plek voor het planten van een wijngaard. Ik stort haar stenen in het dal, en haar fundamenten leg Ik bloot.
    Therefore I will make Samaria as an heap of the field, and as plantings of a vineyard: and I will pour down the stones thereof into the valley, and I will discover the foundations thereof.
    Et je ferai de Samarie un monceau dans les champs, des plantations de vigne ; et je ferai rouler ses pierres dans la vallée, et je découvrirai ses fondements.
    Und ich will Samaria zum Steinhaufen im Felde machen, daß man ihre Steine um die Weinberge legt, und will ihre Steine ins Tal schleifen und sie bis zum Grund einbrechen.
    Et ponam Samariam quasi acervum lapidum in agro, cum plantatur vinea; et detraham in vallem lapides ejus, et fundamenta ejus revelabo.

  7. wekol-pesileha yukkattu wekol-'etnanneha yissarepu ba'es wekol-asabbeha asim semama ki me'etnan zona qibbasa we'ad-etnan zona yasubu:
    En al haar gesneden beelden zullen worden verbrijzeld en al haar (hoeren)lonen zullen worden vewrbrand in/met het vuur en al haar afgodenbeelden Ik zal stellen (tot) woestenij want van/met loon van hoer zij bracht bijeen en tot loon van hoer zij zullen terugkeren.
    En al haar beelden worden verbrijzeld, en al haar hoerenloon wordt met vuur verbrand, van al haar afgoden maak Ik een woestenij, want met hoerenloon heeft zij ze bijeengebracht en tot hoerenloon keren ze terug.
    And all the graven images thereof shall be beaten to pieces, and all the hires thereof shall be burned with the fire, and all the idols thereof will I lay desolate: for she gathered it of the hire of an harlot, and they shall return to the hire of an harlot.
    Et toutes ses images taillées seront mises en pièces; et tous ses présents [de prostitution] seront brûlés au feu; et je mettrai en désolation toutes ses idoles; car c’est avec un présent de prostituée qu’elle les a rassemblées, et elles redeviendront un présent de prostituée.
    Alle ihre Götzen sollen zerbrochen und all ihr Hurenlohn soll mit Feuer verbrannt werden; und ich will ihre Bilder verwüsten, denn sie sind von Hurenlohn zusammengebracht und sollen auch wieder Hurenlohn werden.
    Et omnia sculptilia ejus concidentur, et omnes mercedes ejus comburentur igne, et omnia idola ejus ponam in perditionem, quia de mercedibus meretricis congregata sunt, et usque ad mercedem meretricis revertentur.

  8. al-zo't 'espeda we'elila eleka solal we'arom e'eseh misped kattannim we'ebel kibnot ya'ana:
    Hierover ik zal rouw bedrijven en ik zal weeklagen ik zal gaan afgestroopt en naakt ik zal bedrijven rouw als de jakhals en getreur als dochters van struisvogel.
    Hierover zal ik rouw bedrijven en weeklagen, zal ik berooid en naakt mijn weg gaan, zal ik huilen als de jakhalzen, en klaaglijk roepen als de struisvogels.
    Therefore I will wail and howl, I will go stripped and naked: I will make a wailing like the dragons, and mourning as the owls.
    À cause de cela je me frapperai [la poitrine], et je hurlerai ; j’irai dépouillé* et nu; je ferai une lamentation comme les chacals, et des cris de deuil comme les autruches.
    Darüber muß ich klagen und heulen, ich muß beraubt und bloß dahergehen; ich muß klagen wie die Schakale und trauern wie die Strauße.
    Super hoc plangam, et ululabo; vadam spoliatus, et nudus; faciam planctum velut draconum, et luctum quasi struthionum.

  9. ki anusa makkoteha ki-ba'a ad-yehuda naga ad-sa'ar ammi ad-yerusalaim.
    Want ondraaglijk/ongeneeslijk haar slagen want komende tot Juda het reikt tot de poort van mijn volk tot Jeruzalem.
    Want zijn wond is ongeneeslijk, want zij reikt tot aan Juda, zij raakt tot aan de poort van mijn volk, tot aan Jeruzalem!
    For her wound is incurable; for it is come unto Judah; he is come unto the gate of my people, even to Jerusalem.
    Car sa plaie est incurable ; car elle est venue jusqu’à Juda, elle atteint jusqu’à la porte de mon peuple, jusqu’à Jérusalem.
    Denn es ist kein Rat für ihre Plage, die bis gen Juda kommen und bis an meines Volkes Tor, bis Jerusalem hinanreichen wird.
    quia desperata est plaga ejus, quia venit usque ad Judam; tetigit portam populi mei usque ad Jerusalem.

  10. begat al-taggidu bako al-tibku bebet le'apra apar hitpallasity:
    In Gat jullie zullen niet bekendmaken/meedelen huilende jullie zullen niet huilen in Beth le-Afra stof ik rolde mezelf (daarin).
    Maak het niet bekend in Gath, ween niet zo jammerlijk, wentel u in het stof in Beth-le-Afra.
    Declare ye it not at Gath, weep ye not at all: in the house of Aphrah roll thyself in the dust.
    Ne le racontez pas dans Gath, ne versez point de pleurs. Dans Beth-Leaphra*, roule-toi dans la poussière.
    Verkündigt's ja nicht zu Gath; laßt euer Weinen nicht hören zu Akko; in Beth-Leaphra setzt euch in die Asche.
    In Geth nolite annuntiare; lacrimis ne ploretis; in domo pulveris pulvere vos conspergite.

  11. ibri lakem yosebet sapir erya-boset lo yas'a yosebet sa'anan mispad bet ha'esel yiqqah mikkem emdato:
    Ga voorbij aan/voor jullie bewoonster van Safir naakt-schande niet zij gaat uit bewoonster van Zaänan getreur Beth-Haëzel Hij neemt weg van jullie zijn standplaats/steun.
    Trek voorbij, bewoonster van Safir, in schandelijke naaktheid. De bewoonster van Zaänan gaat niet naar buiten, rouw is in Beth-Haëzel; Hij neemt Zijn steun van u weg.
    Pass ye away, thou inhabitant of Saphir, having thy shame naked: the inhabitant of Zaanan came not forth in the mourning of Beth-ezel; he shall receive of you his standing.
    Passe outre, toi, habitante de Shaphir*, ta nudité découverte ! L’habitante de Tsaanan** n’est pas sortie [pour] la lamentation de Beth-Haëtsel; il vous ôtera son abri.
    Du Einwohnerin Saphirs mußt dahin mit allen Schanden; die Einwohnerin Zaenans wird nicht ausziehen; das Leid Beth-Haezels wird euch wehren, daß ihr da euch lagert.
    Et transite vobis, habitatio pulchra, confusa ignominia: non est egressa quae habitat in exitu: planctum domus vicina accipiet ex vobis, quae stetit sibimet.

  12. ki-hala letob yosebet marot ki-yarad ra me'et yhwh lesa'ar yerusalaïm:
    Want is ziek voor (het) goed(e) de bewoonster van Marot want daalde neer/af kwaad van bij de HERE tot/naar de poort van Jeruzalem.
    Ja, de bewoonster van Maroth is ziek vanwege het goede, want kwaad is afgedaald van de HEERE tot aan de poort van Jeruzalem.
    For the inhabitant of Maroth waited carefully for good: but evil came down from the LORD unto the gate of Jerusalem.
    Car l’habitante de Maroth* s’attendait au bien, mais le mal est descendu de par l’Éternel à la porte de Jérusalem.
    Die Einwohnerin Maroths vermag sich nicht zu trösten; denn es wird das Unglück vom Herrn kommen auch bis an das Tor Jerusalems.
    Quia infirmata est in bonum, quae habitat in amaritudinibus; quia descendit malum a Domino in portam Jerusalem.

  13. retom hammerkaba larekes yosebet lakis re'sit hatta't hi lebat-siyyon ki-bak nimse'u pis'e yisra'el:
    Span in de wagen voor de (ren)paarden bewoonster van Lachis begin van zonde zij voor de dochter Sion want in u werden gevonden de overtredingen van Israel.
    Span de snelle paarden voor de wagen, bewoonster van Lachis. Die is het begin van de zonde voor de dochter van Sion, want in u zijn de overtredingen van Israël gevonden.
    O thou inhabitant of Lachish, bind the chariot to the swift beast: she is the beginning of the sin to the daughter of Zion: for the transgressions of Israel were found in thee.
    Attache le char au coursier, habitante de Lakis : elle a été les prémices du péché pour la fille de Sion ; car en toi ont été trouvées les transgressions d’Israël.
    Du Stadt Lachis, spanne Renner an und fahre davon! denn du bist der Tochter Zion der Anfang zur Sünde, und in dir sind gefunden die Übertretungen Israels.
    Tumultus quadrigae stuporis habitanti Lachis: principium peccati est filiae Sion, quia in te inventa sunt scelera Israel.

  14. laken titteni silluhim al moreset gat botte akzib le'akzab lemalke yisrael:
    Daarom geef afscheidsgeschenken aan Moreset-Gat de huizen van Achzibs tot teleurstelling/misleiding van/voor de koningen van Israel.
    Geef daarom afscheidsgeschenken aan Moreset-Gath. De huizen van Achzib blijken onbetrouwbaar voor de koningen van Israël.
    Therefore shalt thou give presents to Moresheth-gath: the houses of Achzib shall be a lie to the kings of Israel.
    C’est pourquoi tu donneras des présents à Morésheth-Gath. Les maisons d’Aczib seront un mensonge pour les rois d’Israël.
    Du wirst dich müssen scheiden von Moreseth-Gath. Mit der Stadt Achsib wird's den Königen Israels fehlgehen.
    Propterea dabit emissarios super haereditatem Geth, domus mendacii in deceptionem regibus Israel.

  15. od hayyores abi lak yosebet maresa ad-adullam yabo kebod ysrael:
    Nog/weer de innemende/bezettende Ik zal brengen/breng tot u bewoonster van Maresa tot Adullam zal komen de glorie van Israel.
    Opnieuw breng ik een bezetter over u, bewoonster van Maresa. Hij zal komen tot aan Adullam, de luister van Israël.
    Yet will I bring an heir unto thee, O inhabitant of Mareshah: he shall come unto Adullam the glory of Israel.
    À toi j’amènerai encore l’héritier*, habitante de Marésha; la gloire d’Israël viendra jusqu’à Adullam.
    Ich will dir, Maresa, den rechten Erben bringen und die Herrlichkeit Israels soll kommen bis gen Adullam.
    Adhuc haeredem adducam tibi quae habitas in Maresa; usque ad Odollam veniet gloria Israel.

  16. qarhi wagozzi al-bene ta'anugayik harhibi qorhatek kanneser ki galu mimmek:
    Maak kaal en scheer af vanwege de kinderen van uw geluk maak groot/breed uw kaalheid als de gier want zij gingen in ballingschap weg van u.
    Scheer uw haar af, ja, scheer u kaal vanwege uw kinderen, die u lief zijn; maak u zo kaal als een gier, want zij zijn bij u weggegaan in ballingschap.
    Make thee bald, and poll thee for thy delicate children; enlarge thy baldness as the eagle; for they are gone into captivity from thee.
    Rends-toi chauve et coupe tes cheveux pour les fils de tes délices ; élargis ta tonsure, comme le vautour ; car ils sont allés en captivité loin de toi.
    Laß die Haare abscheren und gehe kahl um deiner zarten Kinder willen; mache dich ganz kahl wie ein Adler, denn sie sind von dir gefangen weggeführt.
    Decalvare, et tondere super filios deliciarum tuarum; dilata calvitium tuum sicut aquila, quoniam captivi ducti sunt ex te.

1  2  3  4  5  6  7

Micha 2

  1. hoy hosebe-awen upo'ale ra al-miskebotam be'or habboqer ya'asuha ki yes-le'el yadam:
    Wee bedenkers van onrecht/ongerechtigheid en werkers van kwaad op jullie bedden in het licht van de ochtend zij doen het/men voert het uit want het is tot macht van hun hand.
    Wee hun die onrecht uitdenken, kwaad uitwerken op hun slaapplaats, en het bij het licht van de morgenstond uitvoeren, omdat zij daartoe bij machte zijn.
    Woe to them that devise iniquity, and work evil upon their beds! when the morning is light, they practise it, because it is in the power of their hand.
    Malheur à ceux qui méditent la vanité et qui préparent le mal sur leurs lits ! À la lumière du matin, ils l’exécutent, parce que c’est au pouvoir de leur main.
    Weh denen, die Schaden zu tun trachten und gehen mit bösen Tücken um auf ihrem Lager, daß sie es früh, wenn's licht wird, vollbringen, weil sie die Macht haben.
    Vae qui cogitatis inutile, et operamini malum in cubilibus vestris! In luce matutina faciunt illud, quoniam contra Deum est manus eorum.

  2. wehamedu sadot wegazalu ubottim wenasa'u we'asequ geber ubeto we'is wenahalato:
    En zij begeren velden en/dan zij grijpen/roven en huizen en/dan zij nemen en zij onderdrukken man en zijn huis/gezin en man en zijn (erf)bezit.
    Zij begeren akkers en roven die, en huizen, en nemen die af. Zo onderdrukken zij de man en zijn huis, de mens en zijn erfelijk bezit.
    And they covet fields, and take them by violence; and houses, and take them away: so they oppress a man and his house, even a man and his heritage.
    Et ils convoitent des champs et les ravissent, et des maisons, et ils s’en emparent; et ils oppriment l’homme et sa maison, l’homme et son héritage.
    Sie reißen Äcker an sich und nehmen Häuser, welche sie gelüstet; also treiben sie Gewalt mit eines jeden Hause und mit eines jeden Erbe.
    Et concupierunt agros, et violenter tulerunt: et rapuerunt domos, et calumniabantur virum, et domum ejus: virum, et haereditatem ejus.

  3. laken koh amar yhwh hineni hoseb al-hammispaha hazzo't ra'a aser lo-tamisu missam sawwe'rotekem welo teleku roma ki et ra'a hi:
    Daarom zo zei/zegt de HERE zie ik (be)denkende over het geslacht/de familie dit/deze kwaad dat jullie zullen niet verwijderen/wegnemen vandaar/daar vandaan jullie nekken en niet jullie zullen gaan verheven/hoogmoedig want tijd van kwaad die.
    Daarom, zo zegt de HEERE, zie, Ik bedenk kwaad over dit geslacht waar u uw nekken niet uit weg kunt nemen en waardoor u niet rechtop verder kunt gaan, want het zal een kwade tijd zijn.
    Therefore thus saith the LORD; Behold, against this family do I devise an evil, from which ye shall not remove your necks; neither shall ye go haughtily: for this time is evil.
    C’est pourquoi, ainsi dit l’Éternel : Voici, je médite contre cette famille un mal d’où vous ne pourrez pas retirer vos cous; et vous ne marcherez pas la tête haute, car c’est un temps mauvais.
    Darum spricht der HERR also: Siehe, ich gedenke über dies Geschlecht Böses, daß ihr euren Hals nicht daraus ziehen und daß ihr nicht so stolz dahergehen sollt; denn es soll eine böse Zeit sein.
    Idcirco haec dicit Dominus: Ecce ego cogito super familiam istam malum, unde non auferetis colla vestra, et non ambulabitis superbi: quoniam tempus pessimum est.

  4. bayyom hahu yissa alekem masal wenaha nehi nihya amar sadod nesaddunu heleq ammi yamir ek yamis li lesobeb sadenu yehalleq:
    Op de dag die men zal aanheffen over/tegen jullie een spreuk en hij/men zal klagen een rouwkacht het zal worden hij/men zegt/zal zeggen verwoestende wij werden/ zijn verwoest deel van mijn volk hij/men verandert hoe hij/men neemt weg van mij voor afkerende/afvallige onze velden hij verdeelt.
    Op die dag zal men een spreuk over u aanheffen, klaaglijk klagend met een rouwklacht, en zeggen: Wij zijn geheel verwoest, Hij doet het deel van mijn volk van eigenaar veranderen. Hoe neemt Hij het van mij weg, Hij deelt onze akkers uit aan afvalligen!
    In that day shall one take up a parable against you, and lament with a doleful lamentation, and say, We be utterly spoiled: he hath changed the portion of my people: how hath he removed it from me! turning away he hath divided our fields.
    En ce jour-là, on vous prendra pour proverbe, et on se lamentera dans une douloureuse lamentation ; on dira : Nous sommes entièrement détruits ; il a changé la portion de mon peuple : comme il me l’a ôtée! À celui qui se détourne [de l’Éternel] il a partagé nos champs.
    Zur selben Zeit wird man einen Spruch von euch machen und klagen: Es ist aus (wird man sagen), wir sind verstört. Meines Volkes Land wird eines fremden Herrn. Wann wird er uns die Äcker wieder zuteilen, die er uns genommen hat?
    In die illa sumetur super vos parabola, et cantabitur canticum cum suavitate, dicentium: Depopulatione vastati sumus; pars populi mei commutata est: quomodo recedet a me, cum revertatur, qui regiones nostras dividat?

  5. laken lo-yihyeh leka maslik hebel begoral biqhal yhwh:
    Daarom niet zal zijn/niet van/voor u/u zult hebben werpende snoer/koord naar/volgens lot in de gemeente van de HERE.
    Daarom zult u niemand hebben die volgens het lot het meetsnoer uitwerpt in de gemeente van de HEERE.
    Therefore thou shalt have none that shall cast a cord by lot in the congregation of the LORD.
    C’est pourquoi tu n’auras personne qui étende le cordeau pour [faire] un lot dans la congrégation de l’Éternel.
    Jawohl, ihr werdet keinen Teil behalten in der Gemeinde des HERRN.
    Propter hoc non erit tibi mittens funiculum sortis in coetu Domini.

  6. al-tattipu yattipun lo-yattipu la'elleh lo yissag kelimmot:
    Jullie zullen niet redeneren/profeteren zij redeneren/profeteren zij zullen niet redeneren/profeteren over deze [dingen] niet hij/men keert (zich) af (van) smadingen.
    Ze profeteren: Profeteer niet! Ze moeten er niet over profeteren! Er komt geen einde aan al die smaad.
    Prophesy ye not, say they to them that prophesy: they shall not prophesy to them, that they shall not take shame.
    Ne prophétisez point, prophétisent-ils. S’ils ne prophétisent pas à ceux-ci, l’ignominie ne s’éloignera pas.
    Predigt nicht! predigen sie, denn solche Predigt trifft uns nicht; wir werden nicht so zu Schanden werden.
    Ne loquamini loquentes; non stillabit super istos, non comprehendet confusio.

  7. he'amur bet-ya'aqob haqasar ru'h yhwh im-elleh ma'alalayw halo debaray yetibu im hayyasar holek:
    Ik zal veranderen/gezegd huis van Jakob? Is kort/komt te kort de Geest van de HERE? Indien dit zijn daden niet mijn woorden zij zijn/doen goed bij/met de recht gaande?
    U die huis van Jakob genoemd wordt, komt de Geest van de HEERE soms tekort? Zijn dat Zijn daden? Doen Mijn woorden geen goed bij hem die oprecht wandelt?
    O thou that art named the house of Jacob, is the spirit of the LORD straitened? are these his doings? do not my words do good to him that walketh uprightly?
    Toi qui es appelée la maison de Jacob : l’Éternel est-il impatient? Sont-ce là ses actes ? Mes paroles ne font-elles pas du bien à celui qui marche avec droiture ?
    Das Haus Jakob tröstet sich also: Meinst du, der HERR sei schnell zum Zorn? Sollte er solches tun wollen? Es ist wahr, meine Reden sind freundlich den Frommen.
    Dicit domus Jacob: Numquid abbreviatus est spiritus Domini, aut tales sunt cogitationes ejus? nonne verba mea bona sunt cum eo qui recte graditur?

  8. we'etmul ammi le'oyeb yeqomen mimmul salma eder tapsitun me'oberim betah subeh milhama:
    En gisteren/pas geleden mijn volk tot vijand is verrezen tegenover (opper)kleed mantel jullie rukken af van langsgaande(n) vertrouwen/zekerheid terugkerende(n) oorlog.
    Maar onlangs stelde Mijn volk zich nog op als een vijand tegenover een kledingstuk. U rukt de mantel af van nietsvermoedende voorbijgangers die terugkeren van de strijd.
    Even of late my people is risen up as an enemy: ye pull off the robe with the garment from them that pass by securely as men averse from war.
    Naguère encore mon peuple s’est levé comme un ennemi : vous enlevez le manteau avec la tunique à ceux qui passent en sécurité, qui se détournent de la guerre;
    Aber mein Volk hat sich aufgemacht wie ein Feind, denn sie rauben beides, Rock und Mantel, denen, so sicher dahergehen, gleich wie die, so aus dem Kriege kommen.
    et e contrario populus meus in adversarium consurrexit. Desuper tunica pallium sustulistis: et eos qui transibant simpliciter convertistis in bellum.

  9. nese ammi tegaresun mibbet ta'anuhgeha me'al olaleha tiqhu hadari le'olam:
    Vrouwen van mijn volk jullie verdrijven uit het huis van haar lieflijkheden van bij haar kleine kinderen jullie nemen weg mijn heerlijkheid voor eeuwig/altijd.
    De vrouwen van Mijn volk verdrijft u, elk uit het huis dat haar lief is, haar kleine kinderen ontneemt u voor eeuwig Mijn sieraad.
    The women of my people have ye cast out from their pleasant houses; from their children have ye taken away my glory for ever.
    vous avez chassé les femmes de mon peuple des maisons de leurs délices; de dessus leurs enfants, vous avez ôté ma magnificence, pour toujours.
    Ihr treibt die Weiber meines Volkes aus ihren lieben Häusern und nehmt von ihren jungen Kindern meinen Schmuck auf immer.
    Mulieres populi mei ejecistis de domo deliciarum suarum; a parvulis earum tulistis laudem meam in perpetuum.

  10. qumu uleku ki lo-zo't hammenuha ba'abur tam'a tehabbel wehebel nimras:
    Staat op en gaat (weg/heen) want niet dit de rust/rustplaats vanwege onreinheid het zal verwoesten en verwoesting zijnde vreselijk.
    Sta op en ga weg, want dit is niet het land van de rust. Omdat het verontreinigd is, brengt het de ondergang, ja, een verschrikkelijke ondergang.
    Arise ye, and depart; for this is not your rest: because it is polluted, it shall destroy you, even with a sore destruction.
    Levez-vous et allez-vous-en! car ce n’est pas ici un lieu de repos, à cause de la souillure qui amène la ruine : la ruine est terrible!
    Darum macht euch auf! Ihr müßt davon, ihr sollt hier nicht bleiben; um ihrer Unreinigkeit willen müssen sie unsanft zerstört werden.
    Surgite, et ite, quia non habetis hic requiem: propter immunditiam ejus corrumpetur putredine pessima.

  11. lu-is holek ru'h waseqer kizzeb attip leka layyayin welassekar wehaya mattip ha'am hazzeh:
    Indien man/iemand gaande wind en bedrog hij liegt ik zal redeneren/profeteren aan/voor u van/voor de wijn en van/voor de sterke drank en/dan zal zijn redenerende/profeterende het volk dit.
    Als er iemand is die wind naloopt, en bedrieglijk liegt en zegt: Ik profeteer voor u voor wijn en sterke drank, dan is hij voor dit volk de profeet!
    If a man walking in the spirit and falsehood do lie, saying, I will prophesy unto thee of wine and of strong drink; he shall even be the prophet of this people.
    S’il y a un homme qui marche selon le vent et le mensonge, qui mente, [disant] : Je te prophétiserai au sujet du vin et de la boisson forte! il sera le prophète de ce peuple.
    Wenn ich ein Irrgeist wäre und ein Lügenprediger und predigte, wie sie saufen und schwelgen sollten, das wäre eine Predigt für dies Volk.
    Utinam non essem vir habens spiritum, et mendacium potius loquerer! Stillabo tibi in vinum et in ebrietatem; et erit super quem stillatur populus iste.

  12. 'asop e'esop ya'aqob kullak qabbes aqabbes se'erit yisra'el yahad asimennu keson basera ke'eder betok haddabero tehimena me'adam:
    Verzamelende Ik zal verzamelen Jakob jou geheel bijeenbrengende Ik zal bijeenbrengen het overblijfsel van Israël tezamen Ik zal het/hem stellen als kudde kleinvee.
    Ik zal u, Jakob, zeker verzamelen, geheel en al. Ik zal het overblijfsel van Israël zeker bijeenbrengen. Ik zal het samenbrengen als schapen van Bozra, als een kudde midden in zijn weide. Het zal er gonzen van de mensen.
    I will surely assemble, O Jacob, all of thee; I will surely gather the remnant of Israel; I will put them together as the sheep of Bozrah, as the flock in the midst of their fold: they shall make great noise by reason of the multitude of men.
    Je te rassemblerai certainement, Jacob, toi, tout entier; je réunirai certainement le résidu d’Israël ; je les mettrai ensemble comme le menu bétail de Botsra, comme un troupeau au milieu de son pâturage. Ils bruiront à cause [de la multitude] des hommes.
    Ich will aber dich, Jakob, versammeln ganz und die übrigen in Israel zuhauf bringen; ich will sie wie Schafe miteinander in einen festen Stall tun und wie eine Herde in ihre Hürden, daß es von Menschen tönen soll.
    Congregatione congregabo, Jacob, totum te; in unum conducam reliquias Israel: pariter ponam illum quasi gregem in ovili, quasi pecus in medio caularum: tumultuabuntur a multitudine hominum.

  13. ala happores lipnehem paresu wayya'aboru sa'ar wayyese'u bo wayya'abor malkam lipnehem wayhwh bero'sam:
    Ging/trok op de doorbreker voor hun aangezicht zij braken door en zij gingen door poort emn zij gingen uit door hem/daardoor en ging voorbij hun koning voor hun aangezicht en de HERE aan hun hoofd.
    De Doorbreker trekt vóór hen op. Zij zullen doorbreken, door de poort trekken en daardoor naar buiten gaan. Hun Koning gaat vóór hen uit, de HEERE gaat aan de spits.
    The breaker is come up before them: they have broken up, and have passed through the gate, and are gone out by it: and their king shall pass before them, and the LORD on the head of them.
    Celui qui fait la brèche est monté devant eux; ils ont fait la brèche et ont passé par la porte, et sont sortis par elle, et leur roi est passé devant eux, et l’Éternel est à leur tête.
    Es wird ein Durchbrecher vor ihnen herauffahren; sie werden durchbrechen und zum Tor ausziehen; und ihr König wird vor ihnen her gehen und der HERR vornean.
    Ascendet enim pandens iter ante eos: divident, et transibunt portam, et ingredientur per eam: et transibit rex eorum coram eis, et Dominus in capite eorum.


1  2  3  4  5  6  7

Micha 3

  1. wa'omar sim'u-na rase ya'aqob uqesine bet yisra'el halo lakem lada'at 'et-hammispat:
    En/Toen ik zei hoort toch hoofden van Jakob en heersers van het huis van Israël niet aan jullie te kennen/weten het oordeel/recht?
    Toen zei ik: Luister toch, hoofden van Jakob en leiders van het huis van Israël, behoort u niet het recht te kennen?
    And I said, Hear, I pray you, O heads of Jacob, and ye princes of the house of Israel; Is it not for you to know judgment?
    Et je dis : Écoutez, je vous prie, chefs de Jacob, et vous, princes de la maison d’Israël : N’est-ce pas à vous de connaître ce qui est juste?
    Und ich sprach: Höret doch, ihr Häupter im Hause Jakob und ihr Fürsten im Hause Israel! Ihr solltet's billig sein, die das Recht wüßten.
    Et dixi: Audite, princeps Jacob, et duces domus Israel: numquid non vestrum est scire judicium,

  2. son'e tob we'ohabe ra'h gozele 'oram me'alehem use'eram me'al asmotam:
    Haters van goed en liefhebbers van kwaad af-/wegscheurders van kwaad hun huid van op hen en hun vlees van op hun beenderen.
    Zij haten het goede en hebben het kwade lief, zij stropen hun huid van hen af en hun vlees van hun beenderen.
    Who hate the good, and love the evil; who pluck off their skin from off them, and their flesh from off their bones;
    Vous qui haïssez le bien et qui aimez le mal, qui arrachez leur peau de dessus eux,
    Aber ihr hasset das Gute und liebet das Arge; ihr schindet ihnen die Haut ab und das Fleisch von ihren Gebeinen.
    qui odio habetis bonum, et diligitis malum; qui violenter tollitis pelles eorum desuper eis, et carnem eorum desuper ossibus eorum;

  3. wa'aser akelu se'er ammi we'oram me'alehem hipsitu we'et-asmotehem pissehu uparesu ka'aser bassir ukebasar betok qallahat:
    En die eten het vlees van mijn volk en hun huid van op hen zij stropen af en hun beenderen zij verbrijzelen en zij verspreiden zoals in de pot en als vlees in het midden van ketel.
    Ja, zij zijn het die het vlees van Mijn volk eten, hun huid van hen afstropen, hun beenderen breken, ze uiteenleggen als in een pot, als vlees midden in een ketel.
    Who also eat the flesh of my people, and flay their skin from off them; and they break their bones, and chop them in pieces, as for the pot, and as flesh within the caldron.
    et leur chair de dessus leurs os, qui mangez la chair de mon peuple et ôtez leur peau de dessus eux, et qui brisez leurs os, et les mettez en morceaux comme dans une chaudière, et comme de la chair au milieu d’une marmite.
    und fresset das Fleisch meines Volkes; und wenn ihr ihnen die Haut abgezogen habt, zerbrecht ihr ihnen auch die Gebeine und zerlegt's wie in einen Topf und wie Fleisch in einen Kessel.
    qui comederunt carnem populi mei, et pellem eorum desuper excoriaverunt, et ossa eorum confregerunt, et conciderunt sicut in lebete, et quasi carnem in medio ollae?

  4. 'az yiz'aqu 'el-yhwh welo ya'aneh otam weyaster panayw mehem ba'et hahi ka'aser here'u ma'alelehem:
    Dan zij zullen hulproepen tot de HERE en/maar niet Hij zal antwoorden hun en Hij zal verbergen zijn aangezicht voor hen in de tijd die zoals zij maakten slecht hun daden.
    Dan zullen zij tot de HEERE roepen, maar Hij zal hun niet antwoorden. In die tijd zal Hij Zijn aangezicht voor hen verbergen, omdat zij kwaad gedaan hebben.
    Then shall they cry unto the LORD, but he will not hear them: he will even hide his face from them at that time, as they have behaved themselves ill in their doings.
    Alors ils crieront à l’Éternel, et il ne leur répondra pas, et il leur cachera sa face en ce temps-là, selon qu’ils ont agi méchamment.
    Darum, wenn ihr nun zum HERRN schreien werdet, wird er euch nicht erhören, sondern wird sein Angesicht vor euch verbergen zur selben Zeit, wie ihr mit euren bösen Wesen verdient habt.
    Tunc clamabunt ad Dominum, et non exaudiet eos, et abscondet faciem suam ab eis in tempore illo, sicut nequiter egerunt in adinventionibus suis.

  5. koh amar yhwh al-hannebi'im hammai'im et-ammi hannosekim besinnehem weqar'u salom wa'aser lo-yitten al-pihem weqiddesu alayw milhama:
    Zo zei/zegt de HERE tegen de profeten de doende dwalen/misleidende mijn volk de bijtende met hun tanden en zij froepen uit/verkondigen vrede welzijn en wie niet geeft/stelt aan/op hun mond en/dan zij heiligen/bereiden voor tegen hem oorlog.
    Zo zegt de HEERE tegen de profeten die Mijn volk misleiden, die, als zij met hun tanden kunnen bijten, vrede verkondigen. Wie hun echter niets in hun mond geeft, aan hem verklaren zij de oorlog.
    Thus saith the LORD concerning the prophets that make my people err, that bite with their teeth, and cry, Peace; and he that putteth not into their mouths, they even prepare war against him.
    Ainsi dit l’Éternel touchant les prophètes qui font errer mon peuple; qui mordent avec leurs dents, et crient : Paix! et si quelqu’un ne met rien dans leur bouche, ils préparent* la guerre contre lui.
    So spricht der HERR wider die Propheten, so mein Volk verführen: Sie predigen es solle wohl gehen, wo man ihnen zu fressen gibt; wo man aber ihnen nichts ins Maul gibt, da predigen sie, es müsse Krieg kommen.
    Haec dicit Dominus super prophetas, qui seducunt populum meum: qui mordent dentibus suis, et praedicant pacem; et si quis non dederit in ore eorum quippiam, sanctificant super eum praelium.

  6. laken layela lakem mehazon wehaseka lakem miqqesom uba'a hassemes al-hannebi'im weqadar alehem hayyom:
    Daarom nacht voor jullie zonder visioen en het wordt donker voor jullie zonder/van (het) waarzeggen en gaat (onder) de zon over de profeten en wordt zwart over hen de dag.
    Daarom zal het nacht voor u worden, zonder visioen, het zal duister worden voor u, zonder waarzeggerij. De zon zal over deze profeten ondergaan en de dag zal donker over hen worden.
    Therefore night shall be unto you, that ye shall not have a vision; and it shall be dark unto you, that ye shall not divine; and the sun shall go down over the prophets, and the day shall be dark over them.
    C’est pourquoi vous aurez la nuit, sans vision, et vous aurez les ténèbres, sans divination; et le soleil se couchera sur les prophètes, et le jour s’obscurcira sur eux.
    Darum soll euer Gesicht zur Nacht und euer Wahrsagen zur Finsternis werden. Die Sonne soll über den Propheten untergehen und der Tag über ihnen finster werden.
    Propterea nox vobis pro visione erit, et tenebrae vobis pro divinatione; et occumbet sol super prophetas, et obtenebrabitur super eos dies.

  7. ubosu hahozim wehaperu haqqosemim we'atu al-sapam kullam ki en ma'aneh eloim:
    En zullen zich schamen de zieners en zullen te schande worden de waarzeggers en zij zullen bedekken over snor en baard zij allen want er is geen antwoord van God.
    De zieners zullen beschaamd worden en de waarzeggers rood van schaamte, zij zullen allen hun baard en snor bedekken, want er komt geen antwoord van God.
    Then shall the seers be ashamed, and the diviners confounded: yea, they shall all cover their lips; for there is no answer of God.
    Et les voyants seront honteux, et les devins seront confondus, et ils se couvriront tous la barbe, parce qu’il n’y a pas de réponse de Dieu.
    Und die Seher sollen zu Schanden und die Wahrsager zu Spott werden und müssen alle ihren Mund verhüllen, weil da kein Gotteswort sein wird.
    Propterea nox vobis pro visione erit, et tenebrae vobis pro divinatione; et occumbet sol super prophetas, et obtenebrabitur super eos dies.

  8. we'ulam anoki maleti koh etruh yhwh umispat ugebura lehaggid leya'aqob pis'o uleyisra'el hatta'to:
    En toch ik ik ben vol kracht de Geest van de HERE en oordeel/recht en macht om mee te delen aan Jacob zijn overtreding en aan Israel zijn zonde.
    Ik daarentegen ben vol van de kracht van de Geest van de HEERE, van recht en heldenmoed, om Jakob zijn overtreding te verkondigen en Israël zijn zonde.
    But truly I am full of power by the spirit of the LORD, and of judgment, and of might, to declare unto Jacob his transgression, and to Israel his sin.
    Mais moi, je suis plein de puissance par l’esprit de l’Éternel, et de jugement et de force pour déclarer à Jacob sa transgression et à Israël son péché.
    Ich aber bin voll Kraft und Geistes des HERRN, voll Rechts und Stärke, daß ich Jakob sein Übertreten und Israel seine Sünden anzeigen darf.
    Verumtamen ego repletus sum fortitudine spiritus Domini, judicio, et virtute, ut annuntiem Jacob scelus suum, et Israel peccatum suum.

  9. sim'u-na zo't rase bet ya'aqob uqesine bet yisra'el hamata'abim mispat we'et kol-hayesara ye'aqqesu:
    Hoort toch dit hoofden van het huis van Jakob en leiders van het huis van Israël de walgende (van) oordeel/recht en al het rechte zij verdraaien.
    Hoor nu dit, hoofden van het huis van Jakob en leiders van het huis van Israël, die een afschuw hebben van recht en al wat recht is, verdraaien,
    Hear this, I pray you, ye heads of the house of Jacob, and princes of the house of Israel, that abhor judgment, and pervert all equity.
    Écoutez ceci, je vous prie, chefs de la maison de Jacob, et vous, princes de la maison d’Israël, qui abhorrez le jugement et pervertissez toute droiture,
    So hört doch dies, ihr Häupter im Hause Jakob und ihr Fürsten im Hause Israel, die ihr das Recht verschmäht und alles, was aufrichtig ist, verkehrt;
    Audite hoc, principes domus Jacob, et judices domus Israel, qui abominamini judicium, et omnia recta pervertitis:

  10. boneh siyyon bedamim wirusalaim be'awla:
    Bouwende Sion met/op bloed en Jeruzalem met/op onrecht.
    die Sion bouwen met bloed en Jeruzalem met onrecht.
    They build up Zion with blood, and Jerusalem with iniquity.
    bâtissant Sion avec du sang, et Jérusalem avec l’iniquité.
    die ihr Zion mit Blut baut und Jerusalem mit Unrecht:
    qui aedificatis Sion in sanguinibus, et Jerusalem in iniquitate.

  11. ra'seha besohad yispotu wekohaneha bimhir yoru unebi'eha bekesep yiqsomu we'al-yhwh yissa'enu le'mor halo yhwh beqirbenu lo-tabo alenu ra'a:
    Haar hoofden voor omkoopgeschenk zij spreken recht/oordelen en haar priesters voor loon zij onderwijzen en haar profeten voor geld/zilver zij plegen waarzeggerij en op de HERE zij steunen zeggende niet de HERE? in ons midden? Niet zal komen over ons kwaad.
    Hun hoofden spreken er recht voor geschenken, hun priesters onderwijzen voor loon, hun profeten plegen waarzeggerij voor geld. En nog steunen zij op de HEERE en zeggen: Is de HEERE niet in ons midden? Ons zal geen kwaad overkomen.
    The heads thereof judge for reward, and the priests thereof teach for hire, and the prophets thereof divine for money: yet will they lean upon the LORD, and say, Is not the LORD among us? none evil can come upon us.
    Ses chefs jugent pour des présents, et ses sacrificateurs enseignent pour un salaire, et ses prophètes devinent pour de l’argent et s’appuient sur l’Éternel, disant : L’Éternel n’est-il pas au milieu de nous? Il ne viendra point de mal sur nous!
    Ihre Häupter richten um Geschenke, ihre Priester lehren um Lohn, und ihre Propheten wahrsagen um Geld, verlassen sich auf den HERRN und sprechen: Ist nicht der HERR unter uns? Es kann kein Unglück über uns kommen.
    Principes ejus in muneribus judicabant, et sacerdotes ejus in mercede docebant, et prophetae ejus in pecunia divinabant: et super Dominum requiescebant, dicentes: Numquid non Dominus in medio nostrum? non venient super nos mala.

  12. laken biglalkem siyyon sadeh tehares wirusalaim iyyin tihyeh wehar habbayit lebamot ya'ar:
    Daarom omwille van jullie Sion een veld zal worden omgeploegd en Jeruzalem puinhopen zij zal worden en de berg van het huis tot hoogten van woud.
    Daarom zal omwille van u Sion als een akker omgeploegd worden, Jeruzalem een puinhoop worden en de berg van dit huis tot hoogten in het woud.
    Therefore shall Zion for your sake be plowed as a field, and Jerusalem shall become heaps, and the mountain of the house as the high places of the forest.
    C’est pourquoi, à cause de vous, Sion sera labourée comme un champ, et Jérusalem sera des monceaux de pierres, et la montagne de la maison, les lieux hauts d’une forêt.
    Darum wird Zion um euretwillen wie ein Acker gepflügt werden, und Jerusalem wird zum Steinhaufen werden und der Berg des Tempels zu einer wilden Höhe.
    Propter hoc, causa vestri, Sion quasi ager arabitur, et Jerusalem quasi acervus lapidum erit, et mons templi in excelsa silvarum.


1  2  3  4  5  6  7

Micha 4

  1. wehaya be'aharit hayyamim yihyeh har bet-yhwh nakon bero's heharim wenissa hu miggeba'ot wenaharu allayw ammim:
    En (het) zal zijn in het einde van de dagen zal zijn de berg van het huis vasn de HERE gevestigd/bevestigd/gefundeerd op/als de top van de bergen en zal verheven zijn hij boven heuvels en zullen stromen naar (hem) toe volken.
    Het zal echter in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat de volken er naar toe zullen stromen.
    But in the last days it shall come to pass, that the mountain of the house of the LORD shall be established in the top of the mountains, and it shall be exalted above the hills; and people shall flow unto it.
    Et il arrivera, à la fin des jours, que la montagne de la maison de l’Éternel sera établie sur le sommet des montagnes, et sera élevée au-dessus des collines ; et les peuples y afflueront;
    In den letzten Tagen aber wird der Berg, darauf des HERRN Haus ist, fest stehen, höher denn alle Berge, und über die Hügel erhaben sein, und die Völker werden dazu laufen,
    Et erit: in novissimo dierum erit mons domus Domini praeparatus in vertice montium, et sublimis super colles: et fluent ad eum populi,

  2. wehaleku goyim rabbim we'ameru leku wena'aleh el-har-yhw we'el-bet elohe ya'aqob weyorenu midderakayw weneleka be'orhotayw ki missiyyon tese tora udebar-yhwh mirusalaïm:
    En zullen gaan natiën/volken vele en zeggen gaat/komt en laten wij opgaan naar de berg van de HERE en naar het huis van de God van Jakob en/opdat Hij ons zal onderwijzen van zijn wegen en laten wij gaan in zijn paden want/zeker uit Sion zal uitgaan (de) Thora/wet en het Woord van de HERE vanuit Jeruzalem.
    Vele heidenvolken zullen op weg gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
    And many nations shall come, and say, Come, and let us go up to the mountain of the LORD, and to the house of the God of Jacob; and he will teach us of his ways, and we will walk in his paths: for the law shall go forth of Zion, and the word of the LORD from Jerusalem.
    et beaucoup de nations iront, et diront : Venez, et montons à la montagne de l’Éternel, et à la maison du Dieu de Jacob, et il nous instruira de ses voies, et nous marcherons dans ses sentiers. Car de Sion sortira la loi, et de Jérusalem, la parole de l’Éternel.
    und viele Heiden werden gehen und sagen: Kommt, laßt uns hinauf zum Berge des HERRN gehen und zum Hause des Gottes Jakobs, daß er uns lehre seine Wege und wir auf seiner Straße wandeln! Denn aus Zion wird das Gesetz ausgehen und des HERRN Wort aus Jerusalem.
    et properabunt gentes multae, et dicent: Venite, ascendamus ad montem Domini, et ad domum Dei Jacob: et docebit nos de viis suis, et ibimus in semitis ejus, quia de Sion egredietur lex, et verbum Domini de Jerusalem.

  3. wesapat ben ammim rabbim wehokih legoyim asumim ad-rahoq wekittetu harbotehem le'ittim wahanitotehem lemazmerot lo-yisu goy el-goy hereb welo-yilmedun od milhama:
    En Hij zal oordelen/rechten tussen volken vele en Hij zal beslissen/vonnissen over natiën/volken machtige tot ver en zij zullen slaan/bewerken hun zwaarden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen niet zullen opheffen volk tegen volk zwaard en zij zullen niet leren nog/weer oorlog.
    Hij zal oordelen tussen vele volken en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.
    And he shall judge among many people, and rebuke strong nations afar off; and they shall beat their swords into plowshares, and their spears into pruninghooks: nation shall not lift up a sword against nation, neither shall they learn war any more.
    Et il jugera au milieu de beaucoup de peuples, et prononcera le droit à de fortes nations jusqu’au loin; et de leurs épées ils forgeront des socs, et de leurs lances, des serpes : une nation ne lèvera pas l’épée contre une [autre] nation, et on n’apprendra plus la guerre.
    Er wird unter großen Völkern richten und viele Heiden strafen in fernen Landen. Sie werden ihre Schwerter zu Pflugscharen und ihre Spieße zu Sicheln machen. Es wird kein Volk wider das andere ein Schwert aufheben und werden nicht mehr kriegen lernen.
    Et judicabit inter populos multos, et corripiet gentes fortes usque in longinquum: et concident gladios suos in vomeres, et hastas suas in ligones: non sumet gens adversus gentem gladium, et non discent ultra belligerare.

  4. weyasebu is tahat gapno wetahat te'enato we'en maharid kipi yhwh sebaot dibber:
    En zij zullen zitten ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom en geen/niemand verschrikkende want de mond van de HERE van de legermachten sprak.
    Maar zij zullen zitten, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, niemand zal ze schrik aanjagen, want de mond van de HEERE van de legermachten heeft het gesproken.
    But they shall sit every man under his vine and under his fig tree; and none shall make them afraid: for the mouth of the LORD of hosts hath spoken it.
    Et ils s’assiéront chacun sous sa vigne et sous son figuier, et il n’y aura personne qui les effraye : car la bouche de l’Éternel des armées a parlé.
    Ein jeglicher wird unter seinem Weinstock und Feigenbaum wohnen ohne Scheu; denn der Mund des HERRN Zebaoth hat's geredet.
    Et sedebit vir subtus vitem suam et subtus ficum suam, et non erit qui deterreat, quia os Domini exercituum locutum est.

  5. ki kol-ha'ammim yeleku is besem elohayw wa'anahnu nelek besem-yhwh elohenu le'olam wa'ed:
    Want al de volken zullen gaan ieder in de naam van zijn god(en) maar wij wij zullen gaan in de naam van de HERE onze God voor eeuwig en altijd.
    Want alle volken gaan op weg, elk in de naam van zijn god, maar wij zullen op weg gaan in de Naam van de HEERE, onze God, voor eeuwig en altijd.
    For all people will walk every one in the name of his god, and we will walk in the name of the LORD our God for ever and ever.
    Car tous les peuples marcheront, chacun au nom de son dieu ; et nous, nous marcherons au nom de l’Éternel, notre Dieu, à toujours et à perpétuité.
    Denn ein jegliches Volk wandelt im Namen seines Gottes; aber wir wandeln im Namen des HERRN, unsers Gottes, immer und ewiglich.
    Quia omnes populi ambulabunt unusquisque in nomine dei sui; nos autem ambulabimus in nomine Domini Dei nostri, in aeternum et ultra.

  6. bayyom hahu ne'um-yhwh osepa hassole'a wehanniddaha aqabbesa wa'aser hare'oti:
    Op de dag die uitspraak van/spreekt de HERE Ik zal verzamelen de mank zijnde en de verdrevene Ik zal bijeenbrengen edn wie Ik maakte (het) slecht.
    Op die dag, spreekt de HEERE, zal Ik verzamelen wie mank gaat, bijeenbrengen wie verdreven is en wie Ik kwaad aangedaan heb.
    In that day, saith the LORD, will I assemble her that halteth, and I will gather her that is driven out, and her that I have afflicted;
    En ce jour-là, dit l’Éternel, je rassemblerai celle* qui boitait, et je recueillerai celle qui était chassée et celle sur laquelle j’avais fait venir du mal.
    Zur selben Zeit, spricht der HERR, will ich die Lahmen versammeln und die Verstoßenen zuhauf bringen und die ich geplagt habe.
    In die illa, dicit Dominus, congregabo claudicantem, et eam quam ejeceram colligam, et quam afflixeram:

  7. wesamti 'et-hassole'a lis'erit wehannahala'a legoy asum umalak yhwh alehem behar siyyon me'atta we'ad-olam:
    En ik zal stellen de mank zijnde tot een overblijfsel en de uitgedrevene tot een volk machtig en zal koning zijn/regeren de HERE over hen op de berg Sion van nu af en tot (in) eeuwigheid.
    Ik zal wie mank gaat, stellen tot een overblijfsel en wie verdreven was tot een machtig volk, en de HEERE zal over hen Koning zijn op de berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid.
    And I will make her that halted a remnant, and her that was cast far off a strong nation: and the LORD shall reign over them in mount Zion from henceforth, even for ever.
    Et je ferai de celle qui boitait, un reste, et de celle qui avait été repoussée au loin, une nation forte ; et l’Éternel régnera sur eux, en la montagne de Sion, dès lors et à toujours.
    Und will die Lahmen machen, daß sie Erben haben sollen, und die Verstoßenen zum großen Volk machen; und der HERR wird König über sie sein auf dem Berge Zion von nun an bis in Ewigkeit.
    et ponam claudicantem in reliquias, et eam quae laboraverat, in gentem robustam: et regnabit Dominus super eos in monte Sion, ex hoc nunc et usque in aeternum.

  8. we'atta migdal-eder opel bat-siyyon adeka te'teh uba'a hammemsala hari'sona mameleket lebat-yerusalaïm:
    En u wachttoren van (de) kudde Ofel/versterking van de dochter Sion tot u zal komen en komt de heerschappij de eerste/vroegere het koninkrijk van van de dochter Jeruzalem.
    En u, Schaapstoren, Ofel van de dochter van Sion, naar u zal gaan, ja, naar u zal komen de heerschappij van vroeger, het koningschap van de dochter van Jeruzalem.
    And thou, O tower of the flock, the strong hold of the daughter of Zion, unto thee shall it come, even the first dominion; the kingdom shall come to the daughter of Jerusalem.
    Et toi, tour du troupeau, colline élevée de la fille de Sion, à toi arrivera et viendra la domination première, — le royaume, à la fille de Jérusalem.
    Und du, Turm Eder, du Feste der Tochter Zion, zu dir wird kommen und einkehren die vorige Herrschaft, das Königreich der Tochter Jerusalem.
    Et tu, turris gregis nebulosa filiae Sion, usque ad te veniet, et veniet potestas prima, regnum filiae Jerusalem.

  9. 'atta lamma tari'i re hamelek en-bak im-yo'asek abad ki-heheziqek hil kayyoleda:
    Nu waarom u zult uitroepen geroep? Een koning is er niet in/onder u? Indien/of uw raadgever kwam om want gereep u aan moeite/smart als de barende.
    Nu, waarom slaat u zo'n luid alarm? Is er geen Koning onder u? Is uw Raadsman omgekomen, dat smart u aangegrepen heeft als van een barende vrouw?
    Now why dost thou cry out aloud? is there no king in thee? is thy counsellor perished? for pangs have taken thee as a woman in travail.
    Maintenant, pourquoi pousses-tu des cris ? N’y a-t-il point de roi au milieu de toi ? Ton conseiller a-t-il péri ? car l’angoisse t’a saisie, comme une femme qui enfante.
    Warum schreist du denn jetzt so laut? Ist der König nicht bei dir? oder sind deine Ratgeber alle hinweg, daß dich also das Weh angekommen ist wie eine in Kindsnöten?
    Nunc quare moerore contraheris? numquid rex non est tibi, aut consiliarius tuus periit, quia comprehendit te dolor sicut parturientem.

  10. hulli wagohi bat-siyyon kayyoleda ki-atta tes'i miqqirya wesakante bassadeh uba't ad-babel sam tinnaseli sam yig'alek yhwh mikkap oyebayik:
    Kronkel en breek door/barst los dochter Sion als de barende want nu u zult uitgaan uit (de) stad en u zult wonen in het veld en u zult komen tot Babel daar u zult worden uitgered daar zal u loskopen/bevrijden de HERE uit de hand van uw vijanden.
    Krimp ineen en schreeuw het uit, dochter van Sion, als een barende vrouw, want nu moet u de stad uit en in het open veld wonen. U zult tot in Babel komen. Daar zult u gered worden, daar zal de HEERE u verlossen uit de hand van uw vijanden.
    Be in pain, and labour to bring forth, O daughter of Zion, like a woman in travail: for now shalt thou go forth out of the city, and thou shalt dwell in the field, and thou shalt go even to Babylon; there shalt thou be delivered; there the LORD shall redeem thee from the hand of thine enemies.
    Sois dans l’angoisse et gémis, fille de Sion, comme une femme qui enfante ; car maintenant tu sortiras de la ville, et tu habiteras aux champs, et tu viendras jusqu’à Babylone ; là, tu seras délivrée ; là, l’Éternel te rachètera de la main de tes ennemis.
    Leide doch solch Weh und kreiße, du Tochter Zion, wie eine in Kindsnöten. Denn du mußt nun zur Stadt hinaus und auf dem Felde wohnen und gen Babel kommen; aber daselbst wirst du errettet werden, daselbst wird dich der HERR erlösen von deinen Feinden.
    Dole et satage, filia Sion, quasi parturiens, quia nunc egredieris de civitate, et habitabis in regione, et venies usque ad Babylonem: ibi liberaberis, ibi redimet te Dominus de manu inimicorum tuorum.

  11. we'atta ne'espu alayik goyim rabbim ha'omerim tehenap wetahaz beyyison enenu:
    En nu worden verzameld/verzamelen zich tegen u volken vele de zeggende laat zij verontreinigd worden en zal zien (in) Sion onze ogen.
    Nu verzamelen zich tegen u vele heidenvolken. Zij zeggen: Laat haar ontheiligd worden, en laten onze ogen Sion aanschouwen.
    Now also many nations are gathered against thee, that say, Let her be defiled, and let our eye look upon Zion.
    Et maintenant sont rassemblées contre toi beaucoup de nations qui disent : Qu’elle soit profanée, que notre œil voie Sion !
    Nun aber werden sich viele Heiden wider dich rotten und sprechen: Sie soll entweiht werden; wir wollen unsere Lust an Zion sehen.
    Et nunc congregatae sunt super te gentes multae, quae dicunt: Lapidetur, et aspiciat in Sion oculus noster.

  12. wehemma lo yad'u mahsebot yhwh welo hebinu asato ki qibbesam ke'amir gorna:
    Maar zij niet zij kennen de gedachten/plannen van de HERE en niet zij begrijpen zijn raadsbesluit dat Hij brachthen bijeen als het gemaaide koren naar (de) dorsvloer.
    Zíj echter kennen de gedachten van de HEERE niet. Zij begrijpen Zijn raadsbesluit niet: dat Hij hen bijeengebracht heeft als graanschoven op de dorsvloer.
    But they know not the thoughts of the LORD, neither understand they his counsel: for he shall gather them as the sheaves into the floor.
    Mais elles ne connaissent pas les pensées de l’Éternel et ne comprennent pas son conseil ; car il les a amassées comme la gerbe sur l’aire.
    Aber sie wissen des HERRN Gedanken nicht und merken seinen Ratschlag nicht, daß er sie zuhauf gebracht hat wie Garben auf der Tenne.
    Ipsi autem non cognoverunt cogitationes Domini, et non intellexerunt consilium ejus, quia congregavit eos quasi foenum areae.

  13. qumi wadosi bat-siyyon ki-qarnek asim barzel uparsotayik asim nehusa wahadiqqot ammim rabbim wehaharamti layhwh bis'am wehelam la'adon kol-ha'ares:
    Sta op en dors dochter Sion want uw hoorn Ik zal stellen ijzer en uw hoeven Ik zal stellen brons en u zult verpletteren volken vele en Ik zal mnet de ban slaan voor de HERE hun winstbejag/oneerlijke winst en hun vermogen van/voor de HERE van heel de aarde.
    Sta op en dors, dochter van Sion, want Ik zal uw hoorn van ijzer maken en Ik zal uw hoeven van brons maken, en u zult vele volken verpletteren en Ik zal hun winstbejag met de ban slaan: het is voor de HEERE, hun vermogen is voor de Heere van heel de aarde.
    Arise and thresh, O daughter of Zion: for I will make thine horn iron, and I will make thy hoofs brass: and thou shalt beat in pieces many people: and I will consecrate their gain unto the LORD, and their substance unto the Lord of the whole earth.
    Lève-toi et foule, fille de Sion, car je ferai ta corne de fer, et je ferai tes sabots d’airain, et tu broieras beaucoup de peuples ; et je consacrerai leur butin à l’Éternel, et leurs biens au Seigneur de toute la terre.
    Darum mache dich auf und drisch, du Tochter Zion! Denn ich will dir eiserne Hörner und eherne Klauen machen, und sollst viel Völker zermalmen; so will ich ihr Gut dem HERRN verbannen und ihre Habe dem Herrscher der ganzen Welt.
    Surge, et tritura, filia Sion, quia cornu tuum ponam ferreum, et ungulas tuas ponam aereas; et comminues populos multos, et interficies Domino rapinas eorum, et fortitudinem eorum Domino universae terrae.

  14. 'atta titgodedi bat-gedud masor sam alenu bassebet yakku al-hallehi et sopet yisrael:
    Nu verzamel u in groepen dochter van groep belegering hij/men stelde tegen ons met de stok/staf zij slaan op de kaak de richter van israël.
    Nu, groepeer u, dochter van de strijdbende! Zij gaan een belegering tegen ons opzetten. Zij zullen met een stok de rechter van Israël op de kaak slaan.
    [5:1] Now gather thyself in troops, O daughter of troops: he hath laid siege against us: they shall smite the judge of Israel with a rod upon the cheek.
    [5:1] Maintenant, attroupe-toi, fille de troupes; il a mis le siège contre nous ; ils frappent le juge d’Israël avec une verge sur la joue.
    [5:1] Aber nun, du Kriegerin, rüste dich! denn man wird uns belagern und den Richter Israels mit der Rute auf den Backen schlagen.
    [5:1] Nunc vastaberis, filia latronis. Obsidionem posuerunt super nos: in virga percutient maxillam judicis Israel.


1  2  3  4  5  6  7

Micha 5

  1. we'atta bet-lehem eprata sa'ir lihyot be'alpe yehuda mimmeka li yese lihyot mosel beisra'el umosa'otayw miqqedem mime olam:
    En u Betlehem Efrata klein te zijn onder de duizenden van Juda uit u voor Mij zal uitgaan/voorkomen om te zijn heerser in Israël en zijn oorsprongen/uitgangen van vroeger sinds dagen van oudheid.
    En u, Bethlehem-Efratha, al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af.
    [5:2] Now But thou, Bethlehem Ephratah, though thou be little among the thousands of Judah, yet out of thee shall he come forth unto me that is to be ruler in Israel; whose goings forth have been from of old, from everlasting.
    [5:2] Et toi, Bethléhem Éphrata, bien que tu sois petite entre les milliers de Juda, de toi sortira pour moi celui qui doit dominer en Israël, et duquel les origines ont été d’ancienneté, dès les jours d’éternité.
    [5:2] Und du Bethlehem Ephrata, die du klein bist unter den Städten in Juda, aus dir soll mir kommen, der in Israel HERR sei, welches Ausgang von Anfang und von Ewigkeit her gewesen ist.
    [5:2] Et tu, Bethlehem Ephrata, parvulus es in millibus Juda; ex te mihi egredietur qui sit dominator in Israel, et egressus ejus ab initio, a diebus aeternitatis.

  2. laken yittenem ad-et yoleda yalada weyeter ehayw yesubun al-bene yisra'el:
    Daarom hij zal hen (over)geven tot tijd van barende baart en rest/overblijfsel van zijn broeders zij zullen terugkeren tot de kinderen van Israel.
    Daarom zal Hij hen overgeven tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal de rest van Zijn broeders zich bekeren, met de Israëlieten.
    [5:3] Therefore will he give them up, until the time that she which travaileth hath brought forth: then the remnant of his brethren shall return unto the children of Israel.
    [5:3] C’est pourquoi il les livrera jusqu’au temps où celle qui enfante aura enfanté ; et le reste de ses frères retournera vers les fils d’Israël.
    [5:3] Indes läßt er sie plagen bis auf die Zeit, daß die, so gebären soll, geboren habe; da werden dann die übrigen seiner Brüder wiederkommen zu den Kindern Israel.
    [5:3] Propter hoc dabit eos usque ad tempus in quo parturiens pariet, et reliquiae fratrum ejus convertentur ad filios Israel.

  3. we'amad wera'a be'oz yhwh big'on sem yhwh elohayw weyasabu ki-atta yigdal ad-apse-ares:
    En hij zal staan en hij zal weiden in de kracht van de HERE in/met de heerljkheid/majesteit de naam van de HERE zijn God en zij zullen verblijven want nu hij zal groot zijn tot einden van (de) aarde.
    Hij zal staan en hen weiden in de kracht van de HEERE, in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God. Zij zullen veilig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde.
    [5:4] And he shall stand and feed in the strength of the LORD, in the majesty of the name of the LORD his God; and they shall abide: for now shall he be great unto the ends of the earth.
    [5:4] Et il se tiendra et paîtra [son troupeau] avec la force de l’Éternel, dans la majesté du nom de l’Éternel, son Dieu. Et ils habiteront [en sûreté], car maintenant il sera grand jusqu’aux bouts de la terre. Et lui sera la paix.
    [5:4] Er wird aber auftreten und weiden in der Kraft des HERRN und im Sieg des Namens des HERRN, seines Gottes. Und sie werden wohnen; denn er wird zur selben Zeit herrlich werden, soweit die Welt ist.
    [5:4] Et stabit, et pascet in fortitudine Domini, in sublimitate nominis Domini Dei sui: et convertentur, quia nunc magnificabitur usque ad terminos terrae.

  4. wehaya zeh salom assur ki-yabo be'arsenu weki yidrok be'armenotenu wahaqemonu alayw siba roim usemona nesike adam:
    En zal zijn dit vrede Assyrië wanneer hij zal komen in ons land en wanneer hij zal betreden in onze paleizen en/dan wij zullen doen opstaan tegen hem zeven herders en acht vorsten van mens(heid).
    Hij zal Vrede zijn. Wanneer Assur in ons land zal komen en wanneer hij onze paleizen zal betreden, zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan en acht vorsten uit de mensen.
    [5:5] And this man shall be the peace, when the Assyrian shall come into our land: and when he shall tread in our palaces, then shall we raise against him seven shepherds, and eight principal men.
    [5:5] Quand l’Assyrien entrera dans notre pays, et quand il mettra le pied dans nos palais, nous établirons contre lui sept pasteurs et huit princes des hommes.
    [5:5] Und er wird unser Friede sein. Wenn Assur in unser Land fällt und in unsre Häuser bricht, so werden wir sieben Hirten und acht Fürsten wider ihn bestellen,
    [5:5] Et erit iste pax: cum venerit Assyrius in terram nostram, et quando calcaverit domibus nostris, et suscitabimus super eum septem pastores et octo primates homines;

  5. wera'u et-eres assur bahereb we'et-eres nimrod biptaheha wehissel me'assur ki-yabo be'arsenu weki yidrok bigbulenu:
    En/dan zullen weiden/verderven het land van Assyrië door het zwaard en het land van Nimrod in haar openingen/met haar geopenden en hij zal bevrijden van Assyrië wanneer hij zal komen in ons land en wanneer hij zal (be)treden
    Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard, het land van Nimrod met getrokken zwaarden. Zo zal Hij ons redden van Assur, wanneer die in ons land zal komen en wanneer die ons gebied zal betreden.
    [5:6] And they shall waste the land of Assyria with the sword, and the land of Nimrod in the entrances thereof: thus shall he deliver us from the Assyrian, when he cometh into our land, and when he treadeth within our borders.
    [5:6] Et ils ravageront le pays d’Assyrie avec l’épée, et le pays de Nimrod dans ses portes. Et il [nous] délivrera de l’Assyrien, quand il entrera dans notre pays, et qu’il mettra le pied dans nos confins.
    [5:6] die das Land Assur verderben mit dem Schwert und das Land Nimrods mit ihren bloßen Waffen. Also wird er uns von Assur erretten, wenn er in unser Land fallen und in unsre Grenzen brechen wird.
    [5:6] et pascent terram Assur in gladio, et terram Nemrod in lanceis ejus, et liberabit ab Assur cum venerit in terram nostram, et cum calcaverit in finibus nostris.

  6. wehaya se'erit ya'aqob beqereb ammim rabbim ketal me'et yhwh kirbibim ale-eseb aser lo-yeqawweh le'is welo yeyahel libne adam:
    En zal zijn het overblijfsel van Jakob in het midden van volken vele als dauw van bij de HERE als overvloedige regenbuien op gras/kruid dat niet uitzicht/verwacht naar/van man en niet wacht/hoopt op kinderen van mens.
    Het overblijfsel van Jakob zal zijn te midden van vele volken als dauw van de HEERE, als regendruppels op het gewas, dat niet uitziet naar iemand en niet hoopt op mensenkinderen.
    [5:7] And the remnant of Jacob shall be in the midst of many people as a dew from the LORD, as the showers upon the grass, that tarrieth not for man, nor waiteth for the sons of men.
    [5:7] Et le résidu de Jacob sera, au milieu de beaucoup de peuples, comme une rosée de par l’Éternel, comme des ondées sur l’herbe, qui n’attend pas l’homme, et ne dépend pas des fils des hommes.
    [5:7] Und es werden die übrigen aus Jakob unter vielen Völkern sein, wie ein Tau vom HERRN und wie die Tröpflein aufs Gras, das auf niemand harrt noch auf Menschen wartet.
    [5:7] Et erunt reliquiae Jacob in medio populorum multorum quasi ros a Domino, et quasi stillae super herbam, quae non exspectat virum, et non praestolatur filios hominum.

  7. wehaya se'erit ya'aqob baggoyim beqereb ammim rabbim ke'aryeh bebahamot ya'ar kikpir be'edre-so'n aser im abar weramas wetarap we'en massil:
    En zal zijn het overblijfsel van Jakob onder de volken in (het) midden van volken vele als een leeuw onder de dieren van woud als een jonge leeuw onder de kudden van kleinvee/schapen die wanneer hij trekt door en/dan hij vertrapt en verscheurt en (er is) geen uitreddende/redder.
    Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn, te midden van veel volken, als een leeuw onder de dieren van het woud, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, die wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt, en er is niemand die redt.
    [5:8] And the remnant of Jacob shall be among the Gentiles in the midst of many people as a lion among the beasts of the forest, as a young lion among the flocks of sheep: who, if he go through, both treadeth down, and teareth in pieces, and none can deliver.
    [5:8] Et le résidu de Jacob sera, parmi les nations, au milieu de beaucoup de peuples, comme un lion parmi les bêtes de la forêt, comme un jeune lion parmi les troupeaux de menu bétail, qui, s’il passe, foule et déchire, et il n’y a personne qui délivre.
    [5:8] Ja, die übrigen aus Jakob werden unter den Heiden bei vielen Völkern sein wie ein Löwe unter den Tieren im Walde, wie ein junger Löwe unter einer Herde Schafe, welchem niemand wehren kann, wenn er dadurch geht, zertritt und zerreißt.
    [5:8] Et erunt reliquiae Jacob in gentibus, in medio populorum multorum, quasi leo in jumentis silvarum, et quasi catulus leonis in gregibus pecorum, qui cum transierit, et conculcaverit, et ceperit, non est qui eruat.

  8. tarom yadeka al-sareka wekol-oyebeka yikkaretu:
    Zallaat verhoogd zijn uw hand boven/tegen uw tegenstanders en al uw vijanden zullen/laten zij worden afgesneden/uitgeroeid.
    Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
    [5:9] Thine hand shall be lifted up upon thine adversaries, and all thine enemies shall be cut off.
    [5:9] Ta main se lèvera sur tes adversaires, et tous tes ennemis seront retranchés.
    [5:9] Denn deine Hand wird siegen wider alle deine Widersacher, daß alle deine Feinde müssen ausgerottet werden.
    [5:9] Exaltabitur manus tua super hostes tuos, et omnes inimici tui interibunt.

  9. wehaya bayyom-hahu ne'um-yhwh wehikratti suseka miqqirbeka weha'abadti markeboteka:
    En zal zijn op die dag uitspraak van/spreekt de HERE en/dan ik zal afsnijden/uitroeien uw paarden uit uw midden en Ik zal doen vergaan uw wagens.
    Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit uw midden zal uitroeien en dat Ik uw wagens zal doen vergaan.
    [5:10] And it shall come to pass in that day, saith the LORD, that I will cut off thy horses out of the midst of thee, and I will destroy thy chariots:
    [5:10] Et il arrivera, en ce jour-là, dit l’Éternel, que je retrancherai tes chevaux du milieu de toi, et je détruirai tes chars;
    [5:10] Zur selben Zeit, spricht der HERR, will ich deine Rosse von dir tun und deine Wagen zunichte machen;
    [5:10] Et erit in die illa, dicit Dominus: auferam equos tuos de medio tui, et disperdam quadrigas tuas.

  10. wehikratti are arseka weharasti kol-mibsareka:
    En/dan ik zal afsnijden/uitroeien de steden van uw land en Ik zal neerwerpen/afbreken al uw versterkingen/vestingen.
    Ik zal de steden van uw land uitroeien en Ik zal al uw vestingen afbreken.
    [5:11] And I will cut off the cities of thy land, and throw down all thy strong holds:
    [5:11] et je retrancherai les villes de ton pays, et je renverserai toutes tes forteresses;
    [5:11] und will die Städte deines Landes ausrotten und alle deine Festen zerbrechen.
    [5:11] Et perdam civitates terrae tuae, et destruam omnes munitiones tuas: et auferam maleficia de manu tua, et divinationes non erunt in te:

  11. wehikratti kesapim miyyadeka ume'onenim lo yihyu-lak:
    En/dan ik zal afsnijden/uitroeien toverijen uit uw land en waarzeggers/wolkenduiders niet zullen zijn van u/u zult hebben.
    Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien en u zult geen wolkenduiders meer hebben.
    [5:12] And I will cut off witchcrafts out of thine hand; and thou shalt have no more soothsayers:
    [5:12] et je retrancherai de ta main les enchantements, et tu n’auras pas de pronostiqueurs;
    [5:12]
    [5:12] et perire faciam sculptilia tua et statuas tuas de medio tui, et non adorabis ultra opera manuum tuarum:

  12. wehikratti pesileka umasseboteka miqqirbeka welo-tistahaweh 'od lema'aseh yadeka:
    En/dan ik zal afsnijden/uitroeien uw gesneden beelden en uw opgerichte (gewijde) stenen uit uw midden en u zult niet aanbidden/u neerbuigen nog/weer voor het werk van uw handen.
    Ik zal uw afgodsbeelden en uw gewijde stenen uit uw midden uitroeien, zodat u zich niet meer zult neerbuigen voor het werk van uw handen.
    [5:13] Thy graven images also will I cut off, and thy standing images out of the midst of thee; and thou shalt no more worship the work of thine hands.
    [5:13] et je retrancherai du milieu de toi tes images taillées et tes statues, et tu ne te prosterneras plus devant l’ouvrage de tes mains.
    [5:13]
    [5:13] et evellam lucos tuos de medio tui, et conteram civitates tuas.

  13. wenatasti asereka miqqirbeka wehismadti areka:
    En/dan Ik zal uitrukken/wegrukken uw houten asjerapalen uit uw midden en Ik zal verwoesten uw steden/vijanden.
    Ik zal uw gewijde palen uit uw midden wegrukken en uw steden wegvagen.
    [5:14] And I will pluck up thy groves out of the midst of thee: so will I destroy thy cities.
    [5:14] Et j’arracherai tes ashères du milieu de toi, et je détruirai tes villes.
    [5:14]
    [5:14] Et faciam, in furore et in indignatione, ultionem in omnibus gentibus quae non audierunt.

  14. we'asiti be'ap ubehema naqam 'et-haggoyim aser lo same'u:
    En ik zal uitvoeren/doen in toorn en in woede wraak aan de volken die/want niet (zij) luisterden.
    Ik zal in toorn en in grimmigheid wraak doen aan de heidenvolken die niet willen luisteren.
    [5:15] And I will execute vengeance in anger and fury upon the heathen, such as they have not heard.
    [5:15] Et j’exécuterai sur les nations, avec colère et avec fureur, une vengeance dont elles n’ont pas entendu parler.
    [5:15]
    [5:15] Et faciam, in furore et in indignatione, ultionem in omnibus gentibus quae non audierunt.


1  2  3  4  5  6  7

Micha 6

  1. sim-u-na et aser-yhwh omer qum rib et-heharim wetisma'na haggeba'ot qoleka:
    Hoort toch wat de HERE zeggende sta op voert strijd/rechtszaak (met) de bergen en laat/zullen horen de heuvels uw stem.
    Luister toch naar wat de HEERE zegt: Sta op, roep de bergen ter verantwoording, laat de heuvels uw stem horen.
    Hear ye now what the LORD saith; Arise, contend thou before the mountains, and let the hills hear thy voice.
    Écoutez, je vous prie, ce que dit l’Éternel : Lève-toi, plaide devant les montagnes, et que les collines entendent ta voix!
    Höret doch, was der HERR sagt: Mache dich auf und rechte vor den Bergen und laß die Hügel deine Stimme hören!
    Audite quae Dominus loquitur: Surge, contende judicio adversum montes, et audiant colles vocem tuam.

  2. sim'u harim 'et-rib yhwh weha'etanim mosede ares ki rib layhwh im-ammo we'im-yisra'el yitwakkah:
    Hoort toch wat de HERE zeggende sta op voert strijd/rechtszaak (met) de bergen en laat/zullen horen de heuvels uw stem.
    Luister, bergen, naar de rechtszaak van de HEERE, ook u, vaste fundamenten van de aarde. De HEERE heeft immers een rechtszaak met Zijn volk, Hij voert een rechtszaak tegen Israël.
    Hear ye, O mountains, the LORD'S controversy, and ye strong foundations of the earth: for the LORD hath a controversy with his people, and he will plead with Israel.
    Écoutez, montagnes, le plaidoyer de l’Éternel, et vous, fondements immuables de la terre ; car l’Éternel a un débat avec son peuple, et il conteste avec Israël.
    Höret, ihr Berge, wie der HERR rechten will, und ihr starken Grundfesten der Erde; denn der HERR will mit seinem Volk rechten und will Israel strafen.
    Audiant montes judicium Domini, et fortia fundamenta terrae; quia judicium Domini cum populo suo, et cum Israel dijudicabitur.

  3. 'ammi meh-asiti leka uma hel'etika aneh bi:
    Mijn volk wat ik deed aan/voor u? En wat/hoe/waarmee ik vermoeide u? Getuig tegen Mij!
    Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan? Waarmee heb Ik u vermoeid? Getuig tegen Mij!
    O my people, what have I done unto thee? and wherein have I wearied thee? testify against me.
    Mon peuple, que t’ai-je fait, et en quoi t’ai-je lassé? Réponds-moi!
    Was habe ich dir getan, mein Volk, und womit habe ich dich beleidigt? Das sage mir!
    Popule meus, quid feci tibi? aut quid molestus fui tibi? Responde mihi.

  4. ki he'elitika me'eres misrayim umibbet abadim peditika wa'esla lepaneka et-moseh aharon umiryam:
    Want/zeker Ik deed u opgaan uit land Egypte en uit huis van slaven Ik verloste/kocht vrij u en Ik zond voor uw aangezicht Mozes en Aäron en Mirjam.
    Ik heb u immers uit het land Egypte geleid, u verlost uit het slavenhuis. Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam vóór u uit gezonden.
    For I brought thee up out of the land of Egypt, and redeemed thee out of the house of servants; and I sent before thee Moses, Aaron, and Miriam.
    Car je t’ai fait monter du pays d’Égypte, et je t’ai racheté de la maison de servitude; et j’ai envoyé devant toi Moïse, Aaron et Marie.
    Habe ich dich doch aus Ägyptenland geführt und aus dem Diensthause erlöst und vor dir her gesandt Mose, Aaron und Mirjam.
    Quia eduxi te de terra AEgypti, et de domo servientium liberavi te, et misi ante faciem tuam Moysen, et Aaron, et Mariam.

  5. ammi zekar-na mah-yya'as balaq melek mo'ab umeh-ana oto bil'am ben-be'or min-hassittim ad-haggilgal lema'an da'at sidqot yhwh:
    Mijn volk gedenk toch wat beraamde Balak de koning van Moab en wat antwoordde hem Bileam de zoon van Beor vanaf de Sittim tot de Gilgal om/zodat te weten/kennen de gerechtigheid van de HERE.
    Mijn volk, denk toch aan wat Balak, de koning van Moab, beraamde, en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde, aan wat er gebeurd is van Sittim tot Gilgal, opdat u de gerechtigheid van de HEERE kent.
    O my people, remember now what Balak king of Moab consulted, and what Balaam the son of Beor answered him from Shittim unto Gilgal; that ye may know the righteousness of the LORD.
    Mon peuple, souviens-toi, je te prie, du dessein que forma Balak, roi de Moab, et de ce que Balaam, fils de Béor, lui répondit, de Sittim jusqu’à Guilgal, afin que vous connaissiez la justice de l’Éternel.
    Mein Volk, denke doch daran, was Balak, der König in Moab, vorhatte und was ihm Bileam, der Sohn Beors, antwortete, von Sittim an bis gen Gilgal; daran ihr ja merken solltet, wie der HERR euch alles Gute getan hat.
    Popule meus, memento, quaeso, quid cogitaverit Balach, rex Moab, et quid responderit ei Balaam, filius Beor, de Setim usque ad Galgalam, ut cognosceres justitias Domini.

  6. bamma aqaddem yhwh ikkap le'lohe marom ha'aqaddemennu be'olot ba'agalim bene sana:
    Met het wat/waarmee/hoe ik zal tegemoet gaan de HERE ik zal mij buigen voor de God van hoogte? Zal ik Hem tegemoetgaan met brandoffers met kalveren zonen van een jaar?
    Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan en mij buigen voor de hoge God? Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers, met eenjarige kalveren?
    Wherewith shall I come before the LORD, and bow myself before the high God? shall I come before him with burnt offerings, with calves of a year old?
    Avec quoi m’approcherai-je de l’Éternel, m’inclinerai-je devant le Dieu d’en haut? M’approcherai-je de lui avec des holocaustes, avec des veaux âgés d’un an?
    Womit soll ich den HERRN versöhnen, mich bücken vor dem hohen Gott? Soll ich mit Brandopfern und jährigen Kälbern ihn versöhnen?
    Quid dignum offeram Domino? curvabo genu Deo excelso? Numquid offeram ei holocautomata et vitulos anniculos?

  7. hayirseh yhwh be'alpe elim beribebot nahale-samen ha'etten bekori pis'i peri bitni hatta't napsi:
    Zal welgevallen hebben/behagen scheppen de HERE aan/in duizenden van rammen aan/in tienduizenden van stromen van olie/oliebeken? Zal ik geven mijn eerstgeborene mijn overtreding de vrucht van mijn buik de zonde/het reinigingsoffer van mijn ziel/persoon?
    Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen, in tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn moederschoot voor de zonde van mijn ziel?
    Will the LORD be pleased with thousands of rams, or with ten thousands of rivers of oil? shall I give my firstborn for my transgression, the fruit of my body for the sin of my soul?
    L’Éternel prendra-t-il plaisir à des milliers de béliers, à des myriades de torrents d’huile? Donnerai-je mon premier-né pour ma transgression, le fruit de mon ventre pour le péché de mon âme?
    Wird wohl der HERR Gefallen haben an viel tausend Widdern, an unzähligen Strömen Öl? Oder soll ich meinen ersten Sohn für meine Übertretung geben, meines Leibes Frucht für die Sünde meiner Seele?
    numquid placari potest Dominus in millibus arietum, aut in multis millibus hircorum pinguium? numquid dabo primogenitum meum pro scelere meo, fructum ventris mei pro peccato animae meae?

  8. higgid leka adam mah-ttob uma-yhwh dores mimmeka ki im-asot mispat we'ahabat hesed wehasne leket im-eloheka:
    Hij deelde mee aan u mens wat goed (is) en wat de HERE vragende/zoekende van u dan alleen te doen recht/oordeel en liefde van verbondsliefde/-trouw en nederig/ootmoedig zijnde om te gaan/wandelen met uw God.
    Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God.
    He hath shewed thee, O man, what is good; and what doth the LORD require of thee, but to do justly, and to love mercy, and to walk humbly with thy God?
    Il t’a déclaré, ô homme, ce qui est bon. Et qu’est-ce que l’Éternel recherche de ta part, sinon que tu fasses ce qui est droit, que tu aimes la bonté, et que tu marches humblement avec ton Dieu?
    Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist und was der HERR von dir fordert, nämlich Gottes Wort halten und Liebe üben und demütig sein vor deinem Gott.
    Indicabo tibi, o homo, quid sit bonum, et quid Dominus requirat a te: utique facere judicium, et diligere misericordiam, et sollicitum ambulare cum Deo tuo.

  9. qol yhwh la'ir yigra wetusiyya yir'eh semeka sim'u matteh umi ye'adah:
    De stem van/hoor de HERE tot de stad roept en verstand/inzicht/begrip ziet uw naam hoort staf en wie die aan wees/bepaalde.
    De stem van de HEERE roept tot de stad: – Uw Naam ziet uit naar wat wezenlijk is - Hoor de roede en Wie hem voor u bestemd heeft.
    The LORD'S voice crieth unto the city, and the man of wisdom shall see thy name: hear ye the rod, and who hath appointed it.
    La voix de l’Éternel crie à la ville, et la sagesse a l’œil sur ton nom. Écoutez la verge et celui qui l’a décrétée!
    Es wird des HERRN Stimme über die Stadt rufen; aber wer deinen Namen fürchtet, dem wird's gelingen. Höret, ihr Stämme, was gepredigt wird!
    Vox Domini ad civitatem clamat, et salus erit timentibus nomen tuum: audite, tribus, et quis approbabit illud?

  10. 'od ha'is bet rasa oserot resa we'epat razon ze'uma:
    Nog is er [in] het huis van goddeloze/boosdoener schatten van goddeloosheid en efa van krapheid/tekort verfoeide?
    Zijn er in het huis van de goddeloze nog schatten door goddeloosheid verkregen en een krappe efa, wat te verfoeien is?
    Are there yet the treasures of wickedness in the house of the wicked, and the scant measure that is abominable?
    Y a-t-il encore des trésors de méchanceté dans la maison du méchant, et un épha petit, chose maudite?
    Noch bleibt Unrecht Gut in des Gottlosen Hause und das heillose geringe Maß.
    Adhuc ignis in domo impii thesauri iniquitatis, et mensura minor irae plena.

  11. ha'ezkeh bemo'zene resa ubekis abne mirma:
    Zal ik rein/zuiver zijn met weegschalen van goddeloosheid en met een zak van stenen van bedrog?
    Zou Ik rein zijn met een goddeloze weegschaal en met een zak valse weegstenen?
    Shall I count them pure with the wicked balances, and with the bag of deceitful weights?
    Serai-je pur avec une balance inique et avec un sac de faux poids?
    Oder sollte ich die unrechte Waage und falsche Gewichte im Beutel billigen,
    In quibus divites ejus repleti sunt iniquitate, et habitantes in ea loquebantur mendacium, et lingua eorum fraudulenta in ore eorum.

  12. aser asireha mai'u hamas weyosebeha dibberu-saqer ulesonam remiyya bepihem:
    Omdat haar rijken zijn vol geweld en haar inwoners spreken leugen en hun tong bedrog in hun mond.
    Omdat haar rijken er vol geweld zijn, haar inwoners er leugens spreken, hun tong bedrieglijk is in hun mond,
    For the rich men thereof are full of violence, and the inhabitants thereof have spoken lies, and their tongue is deceitful in their mouth.
    Parce que ses riches sont pleins de violence, et que ses habitants disent des mensonges, et que leur langue est fausse dans leur bouche:
    durch welche ihre Reichen viel Unrecht tun? Und ihre Einwohner gehen mit Lügen um und haben falsche Zungen in ihrem Halse.
    In quibus divites ejus repleti sunt iniquitate, et habitantes in ea loquebantur mendacium, et lingua eorum fraudulenta in ore eorum.

  13. wegam-ani heheleti hakkoteka hasmen al-hatto'teka:
    Daarom ook Ik Ik zal ziek maken om/door u te treffen woest makende vanwege uw zonden.
    Zal Ik u ook ziek maken, door u te treffen en te verwoesten vanwege uw zonden.
    Therefore also will I make thee sick in smiting thee, in making thee desolate because of thy sins.
    moi aussi, je te rendrai malade en te frappant, je te rendrai désolée à cause de tes péchés.
    Darum will ich dich auch übel plagen und dich um deiner Sünden willen wüst machen.
    Et ego ergo coepi percutere te perditione super peccatis tuis.

  14. atta to'kal welo tisba weyeshaka beqirbeka wetasseg welo taplit wa'aser tepallet lahereb etten:
    U u zult eten maar niet u zult verzadigd worden en/maar uw leegte in uw binnenste en u zult wegleggen maar niet u zult veilig stellen en wat u zult veilig stellen aan het zwaard Ik zal (over)geven.
    Zelf zult u eten, maar niet verzadigd worden, uw gevoel van leegte zal in uw binnenste blijven. U zult iets wegleggen, maar het niet in veiligheid brengen, en wat u in veiligheid zult brengen, zal Ik overgeven aan het zwaard.
    Thou shalt eat, but not be satisfied; and thy casting down shall be in the midst of thee; and thou shalt take hold, but shalt not deliver; and that which thou deliverest will I give up to the sword.
    Tu mangeras, et tu ne seras pas rassasiée, et ton ventre sera vide; et tu emporteras, mais tu ne sauveras pas; et ce que tu sauveras, je le livrerai à l’épée.
    Du sollst nicht genug zu essen haben und sollst verschmachten. Und was du beiseite schaffst, soll doch nicht davonkommen; und was davonkommt, will ich doch dem Schwert überantworten.
    Tu comedes, et non saturaberis, et humiliatio tua in medio tui: et apprehendes, et non salvabis, et quos salvaveris, in gladium dabo.

  15. atta tizra welo tiqsor atta tidrok-zayit welo-tasuk semen wetiros welo tisteh-yyayin:
    U u zult zaaien maar niet u zult maaien/oogsten u u zult olijf treden mar niet u zult insmeren (met) olie en nieuwe wijn maar niet u zult wijn drinken.
    Zelf zult u zaaien, maar niet maaien, zelf zult u olijven treden, maar u niet met olie zalven, en nieuwe wijn oogsten, maar geen wijn drinken.
    Thou shalt sow, but thou shalt not reap; thou shalt tread the olives, but thou shalt not anoint thee with oil; and sweet wine, but shalt not drink wine.
    Tu sèmeras, et tu ne moissonneras pas ; tu fouleras les olives, mais tu ne t’oindras pas d’huile, et le moût, mais tu ne boiras pas de vin.
    Du sollst säen, und nicht ernten; du sollst Öl keltern, und dich damit nicht salben, und Most keltern, und nicht Wein trinken.
    Tu seminabis, et non metes: tu calcabis olivam, et non ungeris oleo; et mustum, et non bibes vinum.

  16. weyistammer huqqot omri wekol ma'aseh bet-ah'ab watteleku bemo'asotam lema'am titti oteka lesamma weyosebeha lisrega weherpat ammi tissa'u:
    En u nam in acht de inzettingen van Omri en alle werken van het huis van Achab en jullie gaan in hun beraadslagingen/plannen zodat mijn stellen u tot woestenij en haar inwoners tot aanfluiting en de smaad van mijn volk jullie zullen dragen.
    Want men houdt zich aan de verordeningen van en aan alles wat het huis van Achab gedaan heeft. U gaat voort in hun opvattingen, zodat Ik u overgeef aan de verwoesting, en haar inwoners maak tot een aanfluiting. Zo zult u de smaad van Mijn volk dragen.
    For the statutes of Omri are kept, and all the works of the house of Ahab, and ye walk in their counsels; that I should make thee a desolation, and the inhabitants thereof an hissing: therefore ye shall bear the reproach of my people.
    Car on observe les statuts d’Omri et toutes les œuvres de la maison d’Achab; et vous marchez selon leurs conseils, afin que je fasse de toi une désolation, et de ses habitants un objet de sifflement; et vous porterez l’opprobre de mon peuple.
    Denn man hält die Weise Omris und alle Werke des Hauses Ahab und folgt ihrem Rat. Darum will ich dich zur Wüste machen und ihre Einwohner, daß man sie anpfeifen soll; und ihr sollt meines Volkes Schmach tragen.
    Et custodisti praecepta Amri, et omne opus domus Achab, et ambulasti in voluntatibus eorum: ut darem te in perditionem, et habitantes in ea in sibilum, et opprobrium populi mei portabitis.

1  2  3  4  5  6  7

Micha 7

  1. alelay li ki hayiti ke'ospe-gayis ke'olelot basir en-eskol le-'ekol bikkura 'iwweta napsi:
    Wee want aan mij ik ben als inzamelingen van zomer(vruchten) als nalezingen/laatste (oogst)resten van wijnoogst er is geen tros om te eten vroege vijgen begeert mijn ziel/persoon/wezen.
    Wee mij, want het is mij vergaan als na de inzameling van de zomervruchten, als na de nalezing van de wijnoogst: er is geen tros om te eten. Mijn ziel verlangt naar vroege vijgen.
    Woe is me! for I am as when they have gathered the summer fruits, as the grapegleanings of the vintage: there is no cluster to eat: my soul desired the firstripe fruit.
    Malheur à moi ! car je suis comme quand on a fait la cueillette des fruits d’été, comme les grappillages lors de la vendange : pas une grappe de raisin à manger ! aucun fruit précoce que mon âme désirait!
    Ach, es geht mir wie einem, der im Weinberge nachliest, da man keine Trauben findet zu essen, und wollte doch gerne die besten Früchte haben.
    Vae mihi, quia factus sum sicut qui colligit in autumno racemos vindemiae! non est botrus ad comedendum, praecoquas ficus desideravit anima mea.

  2. abad hasid min-ha'ares weyasar ba'adam ayin kullam ledamim ye'erobu 'is 'et-ahihu yasudu herem:
    Kwam om/Verging gunstgenoot/toegewijde uit het land en een rechte onder de mens(heid) is (er) niet zij allen op bloed zij loeren ieder op zijn broeder zij jagen net.
    Een goedertieren mens is verdwenen uit het land en een oprechte onder de mensen is er niet. Zij loeren allen op bloed, zij jagen op elkaar met een net.
    The good man is perished out of the earth: and there is none upright among men: they all lie in wait for blood; they hunt every man his brother with a net.
    L’homme pieux a disparu du pays, et il n’y a pas de gens droits parmi les hommes; tous ils se placent aux embûches pour [verser] le sang; ils font la chasse chacun à son frère avec un filet;
    Die frommen Leute sind weg in diesem Lande, und die Gerechten sind nicht mehr unter den Leuten. Sie lauern alle auf Blut; ein jeglicher jagt den andern, daß er ihn verderbe,
    Periit sanctus de terra, et rectus in hominibus non est: omnes in sanguine insidiantur; vir fratrem suum ad mortem venatur.

  3. 'al-hara kappayim lehetib hassar so'el wehassopet bassillum wehaggadoi dober hawwat napso huwaye'abbetuha:
    Tot/over het kwaad/kwade beide handen tot juist doen de vorst vragende en de richter/rechtsprekende tegen betaling en de grote sprekende begeerte van zijn ziel/persoon hij en zij vewrdraaiwn het/haar.
    Om kwaad te doen staan hun handen goed: de vorst eist, de rechter doet uitspraak tegen betaling, wie groot is, beslist naar eigen begeerte en zo verdraaien zij de zaak.
    That they may do evil with both hands earnestly, the prince asketh, and the judge asketh for a reward; and the great man, he uttereth his mischievous desire: so they wrap it up.
    les deux mains sont prêtes au mal, afin de le bien faire; le prince exige, et le juge [est là] pour une récompense, et le grand exprime l’avidité de son âme; et [ensemble] ils trament la chose.
    und meinen, sie tun wohl daran, wenn sie Böses tun. Was der Fürst will, das spricht der Richter, daß er ihm wieder einen Dienst tun soll. Die Gewaltigen raten nach ihrem Mutwillen, Schaden zu tun, und drehen's wie sie wollen.
    Malum manuum suarum dicunt bonum: princeps postulat, et judex in reddendo est; et magnus locutus est desiderium animae suae, et conturbaverunt eam.

  4. tobam kehedeq yasar mimmesuka yom mesappeka pequddateka ba'a atta tihyeh mebutakam:
    Hun goede/beste als een doornstruik rechte (meer) dan een doornheg de dag van uw wachters uw bezoekig is gekomen nu zal zijn hun ontreddering/consternatie.
    De beste van hen is als een doornstruik, de oprechtste erger dan een doornhaag. De dag van uw wachters is gekomen, de dag van uw vergelding. Nu zal er bij hen ontreddering zijn.
    The best of them is as a brier: the most upright is sharper than a thorn hedge: the day of thy watchmen and thy visitation cometh; now shall be their perplexity.
    Le meilleur d’entre eux est comme une ronce, le plus droit, pire qu’une haie d’épines. Le jour de tes sentinelles [et] de ta visitation est arrivé; maintenant sera leur confusion.
    Der Beste unter ihnen ist wie ein Dorn und der Redlichste wie eine Hecke. Aber wenn der Tag deiner Prediger kommen wird, wenn du heimgesucht sollst werden, da werden sie dann nicht wissen, wo aus.
    Qui optimus in eis est, quasi paliurus, et qui rectus, quasi spina de sepe. Dies speculationis tuae, visitatio tua venit: nunc erit vastitas eorum.

  5. 'al-ta'aminu bere al-tibtehu be'allup missokebet heqeka semor pithe-pika:
    U zult niet geloven/gelooft niet in vriend u zult niet vertrouwen/vertrouwt niet op huisvriend voor liggende (in) uw schoot bewaar/bewaak de openingen van uw mond.
    Geloof een vriend niet, vertrouw niet op een huisvriend, bewaak de deuren van uw mond voor haar die in uw schoot ligt.
    Trust ye not in a friend, put ye not confidence in a guide: keep the doors of thy mouth from her that lieth in thy bosom.
    N’ayez pas de confiance en un compagnon; ne vous fiez pas à un ami; garde les portes de ta bouche devant celle qui couche dans ton sein.
    Niemand glaube seinem Nächsten, niemand verlasse sich auf einen Freund; bewahre die Tür deines Mundes vor der, die in deinen Armen schläft.
    Nolite credere amico, et nolite confidere in duce: ab ea quae dormit in sinu tuo custodi claustra oris tui.

  6. ki-ben menabbel 'ab bat qama be'immah kalla bahamotah oyebe iis anse beto:
    Want zoon tegen haar moeder schoondchter tegen haar schoonmoeder vijanden van man mannen van zijn huis.
    Want de zoon maakt de vader te schande, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder: iemands vijanden zijn zijn eigen huisgenoten.
    For the son dishonoureth the father, the daughter riseth up against her mother, the daughter in law against her mother in law; a man's enemies are the men of his own house.
    Car le fils flétrit le père, la fille s’élève contre sa mère, la belle-fille contre sa belle-mère; les ennemis d’un homme sont les gens de sa maison.
    Denn der Sohn verachtet den Vater, die Tochter setzt sich wider die Mutter, die Schwiegertochter ist wider die Schwiegermutter; und des Menschen Feinde sind sein eigenes Hausgesinde.
    Quia filius contumeliam facit patri, et filia consurgit adversus matrem suam: nurus adversus socrum suam, et inimici hominis domestici ejus.

  7. wa'ani bayhwh asappeh ohila le'lohe yis'i yisma'eni elohay:
    En/maar ik naar de HERE ik zal uitzien ik zal zaker/laat ik toch wachten/hopen op de God van mijn heil/verlossing zal mij horen mijn God.
    Zelf zal ik echter uitzien naar de HEERE, ik zal wachten op de God van mijn heil. Mijn God zal mij horen.
    Therefore I will look unto the LORD; I will wait for the God of my salvation: my God will hear me.
    Mais moi, je regarderai vers l’Éternel, je m’attendrai au Dieu de mon salut; mon Dieu m’écoutera.
    Ich aber will auf den HERRN schauen und des Gottes meines Heils warten; mein Gott wird mich hören.
    Ego autem ad Dominum aspiciam; exspectabo Deum, salvatorem meum: audiet me Deus meus.

  8. al-tismehi oyabti li ki napalti qamti ki-eseb bahosek yhwh 'or li:
    Wees niet blij mijn vijand(in) over mij want/wanneer hoewwel ik viel ik sta op wasnt/wanneer/hoewel ik zal zitten/zit in duisternis de HERE licht voor mij.
    Verblijd u niet over mij, mijn vijandin, want als ik gevallen ben, zal ik weer opstaan, als ik in duisternis zit, is de HEERE mij een licht.
    Rejoice not against me, O mine enemy: when I fall, I shall arise; when I sit in darkness, the LORD shall be a light unto me.
    Ne te réjouis pas sur moi, mon ennemie : si je tombe, je me relèverai; si je suis assise dans les ténèbres, l’Éternel sera ma lumière.
    Freue dich nicht, meine Feindin, daß ich darniederliege! Ich werde wieder aufkommen; und so ich im Finstern sitze, so ist doch der HERR mein Licht.
    Ne laeteris, inimica mea, super me, quia cecidi: consurgam cum sedero in tenebris: Dominus lux mea est.

  9. za'ap yhwh essa ki hata'ti lo ad aser yarib ribi we'asa mispati yosi'eni la'or er'eh besidqato:
    De toorn van de HERE ik zal dragen want ik zondigde tegen Hem tot dat Hij zal bepleiten/voeren mijn rechtszaak en Hij zal uitvoeren mijn recht Hij zal mij doen uitgaan naar het licht ik zal zien in/op zijn gerechtigheid.
    Ik zal de toorn van de HEERE dragen – want ik heb tegen Hem gezondigd – totdat Hij mijn rechtszaak voert en mij recht verschaft. Hij zal mij uitleiden naar het licht, ik zal Zijn gerechtigheid zien.
    I will bear the indignation of the LORD, because I have sinned against him, until he plead my cause, and execute judgment for me: he will bring me forth to the light, and I shall behold his righteousness.
    Je supporterai l’indignation de l’Éternel, car j’ai péché contre lui, jusqu’à ce qu’il prenne en main ma cause et me fasse droit : il me fera sortir à la lumière; je verrai sa justice.
    Ich will des HERRN Zorn tragen, denn ich habe wider ihn gesündigt, bis er meine Sache ausführe und mir Recht schaffe; er wird mich ans Licht bringen, daß ich meine Lust an seiner Gnade sehe.
    Iram Domini portabo, quoniam peccavi ei, donec causam meam judicet, et faciat judicium meum. Educet me in lucem: videbo justitiam ejus.

  10. wetere oyabti utekasseha busa ha'omera elay ayyo yhwh elohayik enay tir'ennabah atta tihyeh lemirmas ketit husot:
    En zal zien mijn vijand(in) en zal haar bedekken schaamte de zeggende tegen mij waar (is) de HERE jouw God? Mijn ogen zullen zien op haar nu zij zal zijn/worden tot vetrapping/vertrappingsplaats als slijk van straten.
    Mijn vijandin zal dat zien. Schaamte zal haar bedekken die tegen mij zei: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen op haar neerzien. Nu zal zij worden vertrapt als slijk op straat.
    Then she that is mine enemy shall see it, and shame shall cover her which said unto me, Where is the LORD thy God? mine eyes shall behold her: now shall she be trodden down as the mire of the streets.
    Et mon ennemie [le] verra et la honte la couvrira, elle qui me disait : Où est l’Éternel, ton Dieu? Mes yeux la verront; maintenant elle sera foulée comme la boue des rues.
    0 Meine Feindin wird's sehen müssen und mit aller Schande bestehen, die jetzt zu mir sagt: Wo ist der HERR, dein Gott? Meine Augen werden's sehen, daß sie dann wie Kot auf der Gasse zertreten wird.
    Et aspiciet inimica mea, et operietur confusione, quae dicit ad me: Ubi est Dominus Deus tuus? Oculi mei videbunt in eam: nunc erit in conculcationem ut lutum platearum.

  11. yom libnot gederayik yom hahu yirhaq-hoq:
    Dag om te bouwen uw muren/omheningen dag die zal ver zijn inzetting/wet/verordening.
    Op de dag waarop Hij uw muren zal herbouwen, op die dag zal het besluit zich ver verspreiden.
    In the day that thy walls are to be built, in that day shall the decree be far removed.
    Au jour où tes murs doivent se bâtir, ce jour-là, la limite établie sera reculée.
    Zu der Zeit werden deine Mauern gebaut werden, und Gottes Wort wird weit auskommen.
    Dies, ut aedificentur maceriae tuae; in die illa longe fiet lex.

  12. yom hu we'adeka yabo leminni assur we'are masor uleminni masor wead-nahar weyam miyyam wehar hahar:
    Dag die en tot u zal komen vanuit Assyrië en steden van Egypte en vanuit Egypte en tot rivier en zee vanaf zee en berg de berg.
    Het is een dag waarop men naar u toe komt vanaf Assyrië tot aan de steden van Egypte, en vanaf Egypte tot aan de rivier, van zee tot zee, van berg tot berg.
    In that day also he shall come even to thee from Assyria, and from the fortified cities, and from the fortress even to the river, and from sea to sea, and from mountain to mountain.
    Ce jour-là, on viendra jusqu’à toi, depuis l’Assyrie et les villes de l’Égypte, et depuis l’Égypte* jusqu’au fleuve, et de mer à mer, et de montagne en montagne.
    Und zur selben Zeit werden sie von Assur und von den Städten Ägyptens zu dir kommen, von Ägypten bis an den Strom, von einem Meer zum andern, von einem Gebirge zum andern.
    In die illa et usque ad te veniet de Assur, et usque ad civitates munitas, et a civitatibus munitis usque ad flumen, et ad mare de mari, et ad montem de monte.

  13. wehayeta ha'ares lismama al-yosebeha mipperi ma'alelehem:
    En zal zijn het land tot woestenij over/wegens/voor haar inwoners vanwege de vrucht van hun daden.
    Maar de aarde zal worden tot een woestenij, om zijn bewoners, vanwege de vrucht van hun daden
    Notwithstanding the land shall be desolate because of them that dwell therein, for the fruit of their doings.
    Mais le pays sera une désolation, à cause de ses habitants, pour le fruit de leurs actions.
    Denn das Land wird wüst sein seiner Einwohner halben, um der Frucht willen ihrer Werke.
    Et terra erit in desolationem propter habitatores suos, et propter fructum cogitationum eorum.

  14. re'eh ammeka besibteka so'n nahaleteka sokeni lebadad ya'ar betok karmel yir'u basan wegil'ad kime olam:
    Weid uw volk met uw staf de kudde kleinvee van uw bezit woon eenzaam/alleen woud in het midden van vruchtbaar land zij zullen/laten zij weiden Basan en Gilead als dagen van vroeger/oudsher.
    Weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw eigendom, die alleen in een woud woont, te midden van een vruchtbaar land. Laat hen weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van oude tijden af.
    Feed thy people with thy rod, the flock of thine heritage, which dwell solitarily in the wood, in the midst of Carmel: let them feed in Bashan and Gilead, as in the days of old.
    Pais ton peuple avec ton bâton, le troupeau de ton héritage qui demeure seul dans la forêt, au milieu du Carmel; qu’ils paissent en Basan et en Galaad comme aux jours d’autrefois.
    Du aber weide dein Volk mit deinem Stabe, die Herde deines Erbteils, die da besonders wohnt im Walde, mitten auf dem Karmel; laß sie zu Basan und Gilead weiden wie vor alters.
    Pasce populum tuum in virga tua, gregem haereditatis tuae, habitantes solos, in saltu, in medio Carmeli. Pascentur Basan et Galaad juxta dies antiquos.

  15. kime seteka me'eres misrayim arennu nipla'ot:
    Als de dagen van uw kudde kleinvee uit land Egypte Ik zal het doen zien wonderen.
    Als in de dagen toen u uit het land Egypte trok, zal Ik het wonderen doen zien.
    According to the days of thy coming out of the land of Egypt will I shew unto him marvellous things.
    Comme aux jours où tu sortis du pays d’Égypte, je lui ferai voir des choses merveilleuses.
    Ich will sie Wunder sehen lassen gleichwie zur Zeit, da sie aus Ägyptenland zogen,
    Secundum dies egressionis tuae de terra AEgypti, ostendam ei mirabilia.

  16. yir'u goyim weyebosu mikkol geburatam yasimu yad al-peh azenehem teherasna:
    Zullen zien volken en zij zullen zich schamen vanwege al hun kracht/macht zij zullen leggen hand op mond hun oren hun oren zullemn doof zijn.
    De heidenvolken zullen het zien en beschaamd worden, ondanks al hun macht. Zij zullen de hand op de mond leggen, hun oren zullen doof worden.
    The nations shall see and be confounded at all their might: they shall lay their hand upon their mouth, their ears shall be deaf.
    Les nations verront et seront confondues à cause de toute leur puissance; elles mettront la main sur la bouche, leurs oreilles seront sourdes.
    daß es die Heiden sehen und alle ihre Gewaltigen sich schämen sollen und ihre Hand auf ihren Mund legen und ihre Ohren zuhalten.
    Videbunt gentes, et confundentur super omni fortitudine sua. Ponent manum super os, aures eorum surdae erunt.

  17. yelahaku apar kannahas kezohale eres yirgezu mimmisgerotehem el-yhwh elohenu yiphadu weyir'u mimmekka:
    Zij zullen likken stof als de slang als kruipende van land zij zullen beven/sidderen vanuit hun burchten tot de HERE onze God zij zullen angstig zijn en zij zullen vrezen voor U.
    Zij zullen stof likken als de slang; als kruipende dieren van de aarde zullen zij sidderend uit hun burchten komen, naar de HEERE, onze God, zullen zij in angst komen en zij zullen voor U bevreesd zijn.
    They shall lick the dust like a serpent, they shall move out of their holes like worms of the earth: they shall be afraid of the LORD our God and shall fear because of thee.
    Elles lécheront la poussière comme le serpent; comme les bêtes rampantes de la terre, elles sortiront en tremblant de leurs lieux cachés; elles viendront avec frayeur vers l’Éternel, notre Dieu, et elles te craindront.
    Sie sollen Staub lecken wie die Schlangen und wie das Gewürm auf Erden zitternd hervorkommen aus ihren Burgen; sie werden sich fürchten vor dem HERRN, unserm Gott, und vor dir sich entsetzen.
    Lingent pulverem sicut serpentes; velut reptilia terrae perturbabuntur in aedibus suis. Dominum Deum nostrum formidabunt, et timebunt te.

  18. mi-'el kamoka nose awon we'ober al-pesa lis'erit nahalato lo-heheziq la'ad appo ki-hapes hesed hu:
    Wie (is) God zoals U vergevende ongerechtigheid en voorbijgaande aan overtreding van overblijfsel/rest van zijn eigendom? Hij zal niet vasthouden voor eeuwig zijn toorn want welgevallen hebbende aan verbondsliefde/-trouw Hij.
    Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid vergeeft, Die voorbijgaat aan de overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom? Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn, want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
    Who is a God like unto thee, that pardoneth iniquity, and passeth by the transgression of the remnant of his heritage? he retaineth not his anger for ever, because he delighteth in mercy.
    Qui est un Dieu comme toi, pardonnant l’iniquité et passant par-dessus la transgression du reste de son héritage? Il ne gardera pas à perpétuité sa colère, parce qu’il prend son plaisir en la bonté.
    Wo ist solch ein Gott, wie du bist, der die Sünde vergibt und erläßt die Missetat den übrigen seines Erbteils, der seinen Zorn nicht ewiglich behält! denn er ist barmherzig.
    Quis, Deus, similis tui, qui aufers iniquitatem, et transis peccatum reliquiarum haereditatis tuae? Non immittet ultra furorem suum, quoniam volens misericordiam est.

  19. yasub yerahamenu yikbos awonotenu wetaslik bimsulot yam kol-hatto'wtam:
    Hij zal opnieuw/omkeren Hij zal ons barmhartig zijn Hij zal vertrappen onze ongerechtigheden en u zult werpen in diepten van zee al hun zonden.
    Hij zal Zich weer over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen, ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.
    He will turn again, he will have compassion upon us; he will subdue our iniquities; and thou wilt cast all their sins into the depths of the sea.
    Il aura encore une fois compassion de nous, il mettra sous ses pieds nos iniquités; et tu jetteras tous leurs péchés dans les profondeurs de la mer.
    Er wird sich unser wieder erbarmen, unsere Missetaten dämpfen und alle unsre Sünden in die Tiefen des Meeres werfen.
    Revertetur, et miserebitur nostri; deponet iniquitates nostras, et projiciet in profundum maris omnia peccata nostra.

  20. titten emet leya'aqob hesed le'abraham aser-nisba'ta la'abotenu mime qedem:
    U zult geven waarheid/trouw aan Jakob verbondsliefde/-trouw aan Abraham die/waarmee U hebt gezworen aan onze vaderen sinds dagen van vroeger.
    U zult Jakob de trouw bewijzen en Abraham de goedertierenheid, die U aan onze vaderen gezworen hebt vanaf de dagen van weleer.
    Thou wilt perform the truth to Jacob, and the mercy to Abraham, which thou hast sworn unto our fathers from the days of old.
    Tu accompliras envers Jacob [ta] vérité, envers Abraham [ta] bonté, que tu as jurées à nos pères dès les jours d’autrefois.
    sDu wirst dem Jakob die Treue und Abraham die Gnade halten, wie du unsern Vätern vorlängst geschworen hast.
    Dabis veritatem Jacob, misericordiam Abraham, quae jurasti patribus nostris a diebus antiquis.